ECLI:NL:RBDHA:2025:21307

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
NL25.52889
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Artikel 5 richtlijn 2008/115EVRM artikel 3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid bewaring ter fine van terugkeer naar Nigeria

Eiser, een Nigeriaanse vreemdeling, is in bewaring gesteld om zijn terugkeer naar Nigeria voor te bereiden en uit te voeren. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, met zware en lichte gronden waaronder het risico op ontduiking van toezicht en het niet naleven van vertrekverplichtingen.

Eiser voerde aan dat de maatregel onrechtmatig is omdat de locatie van oplegging onjuist is vermeld (AC Schiphol in plaats van DTC Rotterdam). De rechtbank oordeelde dat deze onzorgvuldigheid niet de rechtmatigheid van de maatregel aantast, mede omdat het gehoor zorgvuldig is verricht en de inhoud van de maatregel niet ter discussie staat.

De rechtbank onderzocht ambtshalve of de maatregel rechtmatig is, inclusief het tijdsverloop tussen het vervallen van de grondslag van de voorgaande maatregel en het opleggen van de nieuwe maatregel. Dit tijdsverloop werd niet als onrechtmatig beoordeeld, mede gezien de noodzaak tot beoordeling van het non-refoulementbeginsel en de zorgvuldigheid van verweerder.

Verder is overwogen dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met het non-refoulementbeginsel of het recht op familie- en gezinsleven. Eiser heeft geen nieuwe feiten aangevoerd die nader onderzoek rechtvaardigen. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding worden daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52889

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: L. Verhaegh).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2025 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan dat de maatregel onrechtmatig is omdat in de maatregel is vermeld dat deze is opgelegd op AC Schiphol, terwijl in de M110 is vermeld dat eiser is gehoord en de maatregel is opgelegd in DTC Rotterdam. Gelet op de gevolgen voor vreemdelingen als zij een keer een onjuiste verklaring afleggen omdat zij zich vergissen, moet de maatregel worden opgeheven.
4. De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond niet slaagt. Eiser heeft weliswaar terecht gewezen op de inconsistentie in de M109 en de M110 met betrekking tot de plaats waar de maatregel is opgelegd. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat gelet op de verklaringen van eiser over zijn vrees bij terugkeer, een senior medewerker van de IND is verzocht om eiser te horen in verband met de Adrar-beoordeling die moet worden verricht als verweerder een maatregel oplegt op grond van richtlijn 2008/115. Deze medewerker is vanuit AC Schiphol naar het DTC gegaan om eiser te horen en heeft abusievelijk in de M109 niet vermeld dat deze werkzaamheden zijn verricht op de locatie DTC Rotterdam en niet in AC Schiphol. De rechtbank acht deze toelichting voldoende duidelijk en stelt vast dat sprake is van een onzorgvuldigheid. Dit regardeert echter niet de rechtmatigheid van de maatregel. De rechtbank overweegt dat verweerder terecht heeft onderkend dat hij een grondige beoordeling moet verrichten van de vraag of het eerder vastgestelde terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. Eiser is immers in bewaring gesteld om de terugkeer naar Nigeria voor te bereiden en uit te voeren en eiser heeft zich eerder op het standpunt gesteld dat hij nieuwe feiten en omstandigheden wil aandragen om dit te onderbouwen, maar geen asielaanvraag wil indienen. Het Hof van Justitie heeft in de arresten Ararat en Adrar verduidelijkt dat eiser geen asielaanvraag hoeft in te dienen om beschermd te worden tegen refoulement. Omdat eiser echter concreet stelt een 3 EVRM-risico te lopen indien hij moet terugkeren, getuigt het van zorgvuldigheid om het bewaringsgehoor te laten plaatsvinden door een medewerker die een grondige kennis heeft van de wijze waarop het refoulementrisico moet worden beoordeeld. De rechtbank heeft ter zitting opgemerkt dat uit de M110 blijkt dat het gehoor zeer zorgvuldig is geweest en goed is doorgevraagd naar de persoonlijke omstandigheden van eiser. Door eiser op deze wijze te horen is verweerder in staat om te beoordelen of het terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd en om te beoordelen of het noodzakelijk, proportioneel en evenredig is om eiser in bewaring te stellen om de terugkeer te verzekeren. De rechtbank heeft ondanks dat de locatie van uitreiking van de maatregel onjuist is vermeld, geen enkele reden om te twijfelen aan de inhoud van de M110 en de M109. Eiser heeft ook niet gesteld dat de inhoud van het gehoor niet op juiste wijze is weergegeven of onvolledig zou zijn en is ook verder niet opgekomen tegen de oplegging van de maatregel en de inhoud van de motivering hiervan.
4. De rechtbank heeft alle overige aspecten die de rechtmatigheid van de maatregel betreffen beoordeeld en overweegt dat ook deze rechtmatigheidsbeoordeling niet tot de conclusie leidt dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Dat een lichter middel niet tot vertrek zal leiden is evident. Eiser stelt immers reeds aanzienlijke tijd zonder verblijfstitel in Nederland te verblijven en dat de maatregel onevenredig bezwarend is vanwege de medische problematiek en/of andere omstandigheden is niet gesteld of anderszins gebleken.
5. De rechtbank heeft in het kader van het ambtshalve rechtmatigheidsonderzoek besproken dat uit het dossier blijkt dat de gemachtigde van eiser op 20 oktober 2025 naar verweerder heeft gemaild dat eiser geen asielaanvraag wilde indienen, maar dat de voorgaande maatregel op de zogenoemde ‘asielgrond’ pas op 24 oktober 2025 is opgeheven, gevolgd door de oplegging van de thans te toetsen maatregel. De rechtbank heeft verweerder om een toelichting gevraagd over dit tijdsverloop gelet op de Afdelingsjurisprudentie waaruit volgt dat als de grondslag aan de maatregel komt te ontvallen verweerder twee dagen de tijd heeft om een opvolgende maatregel op te leggen en gelet op het arrest Bouskoura. Verweerder heeft gewezen op de brief van 22 oktober 2025 die in het dossier is gevoegd waarin is toegelicht dat wordt aangenomen dat eiser geen asielwens heeft ondanks dat hij verklaart te vrezen voor vervolging als hij moet terugkeren naar Nigeria. Verweerder heeft in deze brief te kennen gegeven nader te zullen beoordelen of de vrees voor vervolging gerechtvaardigd is en dat daarom een gesprek daarover zal plaatsvinden op 24 oktober 2025 waarbij eiser is verzocht om het document dat hij stelt te hebben om zijn vrees te onderbouwen mee te nemen. De rechtbank overweegt dat dit tijdsverloop niet tot opheffing van de thans te toetsen maatregel leidt. Verweerder dient grondig te beoordelen of het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de uitvoering van het eerder vastgestelde terugkeerbesluit en gelet op de gestelde vrees dient verweerder -in de onderhavige procedure- eiser hier ook over te horen. Verweerder was aanvankelijk voornemens om eiser te horen op 29 oktober 2025 over de opvolgende asielaanvraag waarvan verweerder had aangenomen dat eiser die wilde indienen. Verweerder heeft op 22 oktober 2025 geacteerd op de mail van 20 oktober 2025 en vervolgens eiser op 24 oktober 2025 uitvoerig gehoord en vastgesteld dat het terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd. De rechtbank stelt vast dat verweerder in deze concrete procedure voldoende voortvarend heeft gewerkt aan het onderzoeken of een nieuwe maatregel moest worden opgelegd. Het niet na twee dagen ‘omzetten’ van de maatregel betekent niet dat sprake is geweest van willekeurige detentie als bedoeld in het arrest Bouskoura. Dat de voorgaande maatregel tot 24 oktober 2025 heeft voortgeduurd ondanks dat op 20 oktober 2025 duidelijk was dat eiser geen asielaanvraag wilde indienen, maakt dus de te toetsen maatregel niet onrechtmatig.
6. De rechtbank heeft in het kader van het ambtshalve rechtmatigheidsonderzoek ook besproken dat verweerder in de aanbiedingsbrief kenbaar heeft gemotiveerd dat de bewaringsmaatregel en de verwijdering niet in strijd zijn met het beginsel van non-refoulement en het recht op familie-en gezinsleven. De rechtbank is het eens met deze beoordeling en merkt hierbij op dat de rechtbank op 16 oktober 2025 na een inhoudelijke beoordeling het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ongegrond heeft verklaard en dat eiser ter zitting op 11 november 2025 ook geen andere feiten en omstandigheden heeft aangedragen die een nader onderzoek vergen van de in artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115 genoemde belangen of het beginsel van non-refoulement. Eiser wil rechtmatig verblijf verkrijgen in België en stelt een aanvraag daartoe te hebben gedaan. De rechtbank heeft met eiser besproken dat hij met zijn gemachtigde ook kan bespreken hoe een dergelijke aanvraag na terugkeer vanuit Nigeria kan worden ingediend en dat het raadzaam is om met DT&V te bespreken, zoals DT&V heeft geopperd, of het mogelijk is om samen met zijn vrouw, die ook de Nigeriaanse nationaliteit heeft en illegaal in België verblijft, gezamenlijk terug te keren naar Nigeria. De rechtbank heeft met eiser zijn medische problematiek besproken en het onderwerp van zijn studie en promotieonderzoek, maar ook hieruit volgt niet dat het terugkeerbesluit niet kan worden uitgevoerd of dat er nader onderzoek nodig is.
5. De rechtbank acht het niet nodig om de overige rechtmatigheidsaspecten te bespreken. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.B.J. Schreijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 12 november 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.