ECLI:NL:RBDHA:2025:21318

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
NL25.45233
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asiel Turkmenistan wegens motiveringsgebrek over detentie en verblijf buitenland

Eiser, een Turkmenistaanse staatsburger, diende op 5 februari 2024 een asielaanvraag in in Nederland. Hij vreesde terugkeer naar Turkmenistan vanwege mishandeling in een kindertehuis, detentie door de politie vanwege een tatoeage en vervolging wegens langdurig verblijf in het buitenland. De minister wees de aanvraag af omdat de motieven weliswaar geloofwaardig maar niet zwaarwegend genoeg zouden zijn.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vrees voor detentie vanwege de tatoeage niet aannemelijk is. De minister heeft geen onderscheid gemaakt tussen geloofwaardigheid en zwaarwegendheid en heeft niet onderzocht of de detentie verband hield met de tatoeage. Ook heeft de minister nagelaten nader onderzoek te doen naar de algemene situatie in Turkmenistan met betrekking tot het langdurig verblijf in het buitenland.

De rechtbank constateert dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat en vernietigt het besluit. De minister krijgt de opdracht binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met een volledige motivering over de reële risico's bij terugkeer. De rechtbank veroordeelt de minister tevens in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens motiveringsgebrek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.45233

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. I. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit een motiveringsgebrek bevat. De minister heeft namelijk onvoldoende gemotiveerd waarom eiser zijn vrees bij terugkeer voor detentie vanwege zijn tatoeage, alsmede zijn vrees voor vervolging omdat hij voor een langere periode in het buitenland heeft verbleven dan de duur van zijn studie, niet aannemelijk heeft gemaakt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 5 februari 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 september 2025 de aanvraag afgewezen als ongegrond.
3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
3.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van deze zaak
4. Eiser heeft de Turkmeense nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Eiser is een weeskind en groeide op in een kindertehuis. Op vierjarige leeftijd is hij in een weeshuis geplaatst door zijn moeder. [1] Na het afronden van de middelbare school vertrok eiser in de zomer van 2013 naar Turkije om een studievisum voor Oekraïne te regelen. Van 2013 tot 2017 verbleef hij in Oekraïne, waar hij twee bacheloropleidingen heeft afgerond en werkzaam was als kapper. Vanaf begin 2017 tot eind 2018 vervulde eiser in Turkmenistan zijn militaire dienstplicht. Tot het uitbreken van de oorlog op 24 februari 2022 verbleef eiser in Oekraïne. Hij reisde vervolgens via Slowakije en Polen naar Nederland. [2] Eiser verbleef in Nederland op basis van de Richtlijn tijdelijke bescherming. [3] Deze verblijfstitel liep af in september 2023, waarna hij terugkeerde naar Oekraïne. Op 9 oktober 2023 trouwde eiser in Georgië met [persoon A] uit Dnipro, Oekraïne. In januari 2024 reisde hij samen met zijn vrouw opnieuw naar Nederland en op 5 februari 2024 diende hij een asielaanvraag in. [4]
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij Turkmenistan heeft verlaten omdat hij daar ernstige mishandeling, seksueel misbruik en uitbuiting voor arbeid heeft ondervonden tijdens zijn jeugd in het kindertehuis. [5] Ondanks dat eiser hierover heeft geklaagd bij de leiding van het tehuis en bij de wijkagent, werd er niets ondernomen. Omdat eiser geen enkele bescherming kreeg en er geen instantie was die hem kon helpen, besloot hij om Turkmenistan te verlaten. Hij vreest ook dat hij bij terugkeer wordt gedetineerd vanwege zijn tatoeage. Hij stelt dat hij vanwege zijn tatoeage in 2015 en 2016 en tijdens de militaire dienst is gedetineerd. [6] Verder vreest hij voor vervolging omdat het in Turkmenistan verboden is om zonder toestemming uit te reizen. Hij is namelijk langer in het buitenland dan de duur van zijn studie. Tot slot vreest eiser bij terugkeer voor discriminatie in Turkmenistan van zijn vrouw wegens haar afkomst. [7]
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Seksuele mishandeling en lichamelijk geweld in het kindertehuis;
Detentie door de Turkmeense politie in 2015 of 2016, omdat ze geld van eiser wilden;
Discriminatie in Turkmenistan.
6.1.
De minister vindt alle asielmotieven geloofwaardig, maar de geloofwaardig geachte asielmotieven zijn niet zwaarwegend genoeg om te concluderen dat eiser vluchteling is in de zin van het Vluchtelingverdrag of dat hij bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. De gebeurtenissen waarop eiser zich beroept zijn te lang geleden, onvoldoende persoonlijk gericht of niet onderbouwd. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Strijd met de goede procesorde
7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser op de avond voorafgaand aan de zitting – op 21 oktober om 20:47 uur – een aanvullende stuk heeft ingediend in het digitale dossier. Dit betreft informatie van VluchtelingenWerk Nederland over de problemen bij terugkeer naar Turkmenistan. Het stuk bestaat uit 14 pagina’s en is gedateerd op 9 oktober 2025. De gemachtigde van eiser heeft, desgevraagd, niet kunnen uitleggen waarom dit stuk niet eerder is ingediend. Door de late indiening heeft de rechtbank zich niet kunnen voorbereiden op de inhoud daarvan. Gelet op het voorgaande, is het indienen van dit stuk op 21 oktober 2025 in strijd met de goede procesorde. Dat in de uitnodiging voor de zitting was opgenomen dat stukken konden worden ingediend tot een werkdag voor de zitting, maakt dat niet anders. De rechtbank laat dit ingediende stuk buiten beschouwing en beoordeelt daarom alleen de beroepsgronden die op 25 september 2025 zijn ingediend.
Heeft de minister bij de beoordeling van de gestelde detentie alle relevante elementen betrokken?
8. Eiser betoogt dat de minister niet alle relevante elementen bij de beoordeling van het asielrelaas heeft betrokken. Hij voert hiertoe aan dat hij meerdere malen heeft verklaard te zijn gedetineerd vanwege zijn tatoeage. Hij wijst daartoe op pagina 11 van het verslag nader gehoor waarin hij heeft verklaard dat dit niet enkel in 2015 en 2016 was, maar ook tijdens het vervullen van de militaire dienstplicht. Zijn tatoeage was de reden van de detenties en eiser geeft ook aan dat men in Turkmenistan geen baard mag hebben. Dat hem in detentie is aangeboden om middels smeergeld zijn vrijheid te kopen doet niet af aan de reden van aanhouding.
8.1.
De minister erkent dat asielmotief 3 en 4 en een beoordeling daarvan ontbrak in het voornemen, maar stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de door eiser aangevoerde asielmotieven niet tot een ander standpunt leiden. De minister stelt dat de detentie zich in 2015 of 2016 voordeed, dus bijna tien jaar geleden, en dat eiser niet heeft aangetoond waarom hij nu opnieuw voor een dergelijke situatie zou moeten vrezen. De minister acht niet aannemelijk dat de aanhouding specifiek tegen eiser was gericht vanwege zijn tatoeage. Volgens de minister blijkt uit de verklaringen dat het ging om corruptie en geld, aangezien de politie hem liet gaan toen hij niets kon betalen. Dat duidt erop dat het geen religieus of ideologisch gemotiveerde aanhouding was. Dat eiser toen slachtoffer werd van corruptie betekent niet dat hij dat bij terugkeer opnieuw zal worden. Bovendien verbleef eiser daarna langere tijd in Turkmenistan zonder problemen. De minister heeft op de zitting toegelicht dat in het bestreden besluit is uiteengezet dat weliswaar geloofwaardig is dat eiser is aangehouden, maar dat uit zijn verklaringen niet blijkt dat dit tegen hem persoonlijk was gericht vanwege zijn tatoeage. De minister beschouwt dit onderdeel van het relaas daarom niet als een afzonderlijk asielmotief. De geloofwaardig bevonden detentie is vervolgens beoordeeld in het kader van de zwaarwegendheid van het relaas.
8.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De minister heeft dit asielmotief van eiser niet duidelijk en volledig vastgesteld. Uit het dossier en uit wat op zitting is verklaard, blijkt dat eiser dit element aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. [8] De minister heeft verder nagelaten om te beoordelen of de verklaring van eiser dat de detentie verbandhield met zijn tatoeage geloofwaardig is. In het bestreden besluit is de aanleiding van de detentie enkel gekoppeld aan corruptie, zonder dat uit de motivering blijkt dat het alternatieve scenario, dat de tatoeage de aanleiding vormde voor de aanhouding en dat er vervolgens sprake was van een geldkwestie, is onderzocht of verworpen. Daarmee heeft de minister feitelijk een geloofwaardigheidsoordeel gegeven, zonder dat als zodanig te benoemen en zonder de onderliggende redenen daarvoor kenbaar te maken.
8.3.
De minister heeft in het besluit geen onderscheid gemaakt tussen de geloofwaardigheid van het gestelde motief (de aanhouding vanwege tatoeage) en de zwaarwegendheid van dat motief (de vraag of eiser daardoor gegronde vrees voor vervolging heeft). De wijze waarop de minister deze beoordeling heeft vermengd, maakt dat niet inzichtelijk is of de verklaring van eiser over de tatoeage als ongeloofwaardig is aangemerkt of slechts als onvoldoende zwaarwegend. [9] Ook blijkt niet dat de minister heeft onderzocht of en waarom de verklaring van eiser, dat hij vanwege zijn tatoeage werd aangehouden, niet geloofwaardig zou zijn. Uit het nader gehoor volgt dat eiser heeft verklaard dat hij werd aangehouden omdat hij als moslim geen tatoeage mocht hebben. [10]
Daarnaast blijkt uit het verslag nader gehoor dat, nadat eiser had verklaard dat hij vanwege zijn tatoeage was aangehouden, niet is doorgevraagd naar de aard van die aanhouding of naar de gestelde motieven van de autoriteiten. Ook blijkt niet of de minister heeft onderzocht of de geloofwaardig bevonden aanhoudingen in 2015 en 2016, mede gelet op de verklaringen over de tatoeage, aanleiding geven om nader te toetsen aan de actuele situatie in Turkmenistan. Gelet hierop is de motivering van het bestreden besluit ontoereikend.
Heeft de minister bij de beoordeling van de gestelde vrees voor problemen bij terugkeer vanwege langdurig verblijf in het buitenland alle relevante elementen betrokken?
9. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Turkmenistan problemen zal ondervinden, omdat hij zonder toestemming voor langere tijd in het buitenland heeft verbleven. Volgens eiser is dit door de minister ten onrechte niet als relevant asielmotief aangemerkt. Hij voert aan dat hij Turkmenistan met toestemming heeft verlaten om te studeren, maar langer is gebleven dan toegestaan, waardoor hij de voorwaarden van zijn uitreisvisum heeft overtreden. Eiser vreest dat hij bij terugkeer zal worden verdacht van ontrouw of extremisme. Op de zitting heeft eiser verwezen naar een artikel van het Norwegian Helsinki Committee van 4 januari 2023, waarin melding wordt gemaakt van de arrestatie van een Turkmeense staatsburger bij terugkeer, die werd veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens “illegale grensoverschrijding”. [11] Volgens eiser bevestigt dit dat overtreding van uitreisvoorwaarden tot detentie kan leiden en dat zijn vrees in de context van Turkmenistan plausibel is. De minister heeft nagelaten om onderzoek te doen naar de algemene situatie in Turkmenistan.
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn langdurige verblijf in het buitenland tot problemen bij terugkeer zal leiden. Eiser is in 2013 en 2017 met toestemming van de autoriteiten uitgereisd om te studeren in Oekraïne en destijds zonder problemen teruggekeerd naar Turkmenistan om zijn militaire dienstplicht te vervullen. Hieruit blijkt dat de autoriteiten eiser niet hebben tegengewerkt of vervolgd in verband met zijn verblijf in het buitenland. De minister wijst erop dat eiser in 2019 opnieuw een uitreisvisum heeft gekregen en dat dit voor een half jaar gold. Dat eiser sindsdien in het buitenland is gebleven, betekent niet dat hij bij terugkeer risico loopt, omdat daarvoor geen concrete aanwijzingen zijn. De minister benadrukt verder dat het door eiser overgelegde artikel van het Norwegian Helsinki Committee ziet op een ander geval, namelijk een persoon met een politiek profiel die in het buitenland asiel had gekregen en zich daarover publiekelijk had uitgesproken. Die situatie is volgens de minister niet vergelijkbaar met die van eiser, die geen politieke activiteiten heeft verricht. De minister ziet dan ook geen aanleiding om naar aanleiding van dit voorbeeld nader onderzoek te doen naar de algemene situatie in Turkmenistan. Daarbij verwijst de minister naar de stelplicht van eiser en naar de Werkinstructie 2024/6, waarin is bepaald dat het aan de vreemdeling is om concrete en verifieerbare verklaringen af te leggen over zijn persoonlijke omstandigheden.
9.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De minister heeft dit asielmotief van eiser onvoldoende heeft beoordeeld. Uit het gehoor [12] en de zienswijze blijkt dat eiser dit element naar voren heeft gebracht en dat hij daarbij heeft verwezen naar een artikel van Human Rights Watch van 11 november 2024. [13] Dit is een relevant onderdeel van zijn asielrelaas dat de minister afzonderlijk had moeten vaststellen en beoordelen. Maar de minister heeft nagelaten dit motief duidelijk als zelfstandig asielmotief te kwalificeren. Hij heeft volstaan met de constatering dat de stelling te algemeen en onvoldoende geconcretiseerd is, zonder te onderkennen dat een verblijf van langere duur in het buitenland per definitie moeilijk te individualiseren valt, omdat eiser nog niet is teruggekeerd en dus geen persoonlijke ervaringen daarmee kan aanvoeren. De minister had, mede gelet hierop, nader onderzoek moeten doen naar de algemene situatie in Turkmenistan. Daarbij had hij moeten nagaan of het beeld dat uit openbare bronnen naar voren komt, dat langdurig verblijf in het buitenland zonder toestemming kan leiden tot verdenking of bestraffing, past binnen de verklaringen van eiser. Door dit na te laten en alleen te verwijzen naar de stelplicht van eiser, is de beoordeling onvolledig gebleven. De minister erkent dat er geen recent algemeen ambtsbericht over Turkmenistan beschikbaar is en dat geen nader onderzoek is verricht naar de behandeling van terugkeerders. [14] Gelet op de beperkte openheid van het land en de beperkte hoeveelheid landeninformatie, had het op de weg van de minister gelegen om te bezien of de door eiser overgelegde bron(nen) aanwijzingen bevatte die nader onderzoek rechtvaardigden. Dat de aangehaalde casus in het artikel van het Norwegian Helsinki Committee mogelijk politieke elementen bevat, sluit niet uit dat daaruit een patroon kan worden afgeleid dat relevant is voor eisers gestelde motief. De minister maakt geen onderscheid tussen de geloofwaardigheid van de verklaring van eiser (dat hij langer in het buitenland is gebleven dan toegestaan) en de zwaarwegendheid daarvan (de gevolgen die dat volgens eiser heeft bij terugkeer). Hiermee maakt hij de motivering van zijn besluit onvoldoende inzichtelijk. Dit leidt tot het oordeel de minister het asielmotief onvoldoende heeft onderzocht en gemotiveerd waarom de vrees van eiser ongeloofwaardig of niet zwaarwegend zou zijn.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op onder 8 en 9 is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Om deze reden is het beroep gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het besluit vernietigt en de minister een nieuw besluit moet nemen waarin hij motiveert of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkmenistan een reëel risico loopt op detentie of vervolging vanwege zijn tatoeage en zijn langdurig verblijf in het buitenland, met inachtneming van dat wat de rechtbank hiervoor onder 8 en 9 heeft overwogen. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
10.1.
Omdat de minister opnieuw op de asielaanvraag moet beslissen, waarin hij de asielmotieven opnieuw beoordeelt en de conclusie van de minister daarover van belang is voor de rest van het besluit, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het bestreden besluit van 11 september 2025;
 draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op de asielaanvraag te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
 veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr.N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie verslag nader gehoor, p. 6.
2.Zie verslag gehoor aanmeldfase, p. 4.
3.Zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
4.Zie verslag gehoor aanmeldfase, p. 8 en 9.
5.Zie verslag nader gehoor, p. 9.
6.Zie verslag nader gehoor, p. 9, 10 en 11.
7.Zie correcties en aanvullingen en zienswijze.
8.Zie het verslag nader gehoor, p. 11 en de correcties en aanvullingen en zienswijze.
9.Zie pagina 2 en 3 van het bestreden besluit.
10.Zie pagina 10 van het verslag nader gehoor.
11.Zie het artikel van Norwegian Helsinki Committee door UN Human Rights Committee, ‘Submission to the UN Human Rights Committee: Turkmenistan - 134th Session, van 4 januari 2023.
12.Zie pagina 13 en 14 van het verslag nader gehoor.
13.Zie het artikel van Human Rights Watch, ‘It’s like I live in a Cage. Turkmen Authorities’ Denial of Passports to Turkmen Citizens in Türkiye’ van 11 november 2024.
14.Mededeling op de zitting.