Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21322

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
NL25.48998
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:57 AwbArt. 30, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland volgens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep beoordeeld zonder een zitting te houden, omdat partijen geen zitting wensten. Eiser stelde dat toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening op zijn situatie onevenredige hardheid zou betekenen, omdat hij vreest dat de Duitse autoriteiten hem niet serieus nemen en mogelijk terugsturen naar Marokko, wat indirect refoulement zou betekenen.

De rechtbank oordeelde dat deze vrees geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die toepassing van artikel 17 rechtvaardigen Pro. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden aangenomen dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. De minister heeft het besluit voldoende gemotiveerd en het beroep is daarom ongegrond verklaard.

Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter S.A. van Hoof en griffier F.E. Brokke op 12 november 2025. Tegen deze uitspraak is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48998

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H.A. Koning),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Een overdracht aan Duitsland getuigt in het geval van eiser van onevenredige hardheid. Eiser vreest dat hij bij terugkeer naar Duitsland door de Duitse autoriteiten wordt teruggestuurd naar Marokko. Dit is eiser verteld door de Duitse autoriteiten tijdens zijn verblijf in Duitsland. Hierdoor vreest eiser dat de Duitse autoriteiten hem niet serieus zullen nemen.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister geeft onder meer toepassing aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van een vreemdeling van onevenredige hardheid getuigt. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat sprake is van zulke bijzondere, individuele omstandigheden. Dat eiser vreest dat de Duitse autoriteiten hem zullen terugsturen naar Marokko en dat een reëel gevaar bestaat op indirect refoulement als hij aan Duitsland wordt overgedragen, is geen bijzondere omstandigheid die kan worden meegewogen in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van uit gaan dat Duistland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Binnen de kaders van de Dublinprocedure kan niet beoordeeld worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Eiser kan zijn vrees voor refoulement in Duitsland aankaarten. Om die reden heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Awb (Algemene wet bestuursrecht) maakt dit mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.