ECLI:NL:RBDHA:2025:21409

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
NL24.29866
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvraag voor verblijf bij referent in Nederland

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de mvv-aanvraag van eiser, die in Israël verblijft, om bij zijn zus (referente) in Nederland te verblijven. De rechtbank heeft het beroep van eiser gegrond verklaard, omdat verweerder zich niet heeft gehouden aan eerdere uitspraken van de rechtbank. Verweerder had de belangenafweging in het nadeel van eiser gemaakt, maar de rechtbank oordeelt dat verweerder belangrijke factoren zoals de fysieke aanwezigheid van eiser bij referente, het tijdsverloop van de procedure en het economisch belang onvoldoende heeft meegewogen. De rechtbank concludeert dat verweerder voor de vierde keer een ondeugdelijk gemotiveerd besluit heeft genomen en ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank draagt verweerder op om aan eiser een mvv te verlenen binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten, die door verweerder moet worden betaald.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29866

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer] ,
(gemachtigde: mr. C. Chen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de mvv [1] -aanvraag van eiser om bij zijn
zus (referente) in Nederland te verblijven. Eiser verblijft op dit moment in Israël. Verweerder heeft besloten zijn aanvraag af te wijzen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld tegen dit besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in dat verband niet heeft gehouden aan hetgeen deze rechtbank en zittingsplaats hem in de vorige uitspraak heeft opgedragen. Verweerder heeft de wenselijkheid van de fysieke aanwezigheid van eiser bij referente, het tijdsverloop van de procedure en het economisch belang niet of onvoldoende kenbaar bij de belangenafweging betrokken. De rechtbank concludeert dat verweerder daarmee voor de vierde keer een ondeugdelijk gemotiveerd besluit heeft genomen. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Hierbij acht de rechtbank van belang dat deze procedure al zeer lang duurt, de zaak al drie keer eerder heeft voorgelegen bij de bestuursrechter en het besluit telkens is vernietigd. Het geven van nog een gelegenheid aan verweerder om het bezwaar opnieuw te beoordelen en voor een vijfde keer een belangenafweging te maken, zou daarom naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze inhouden. Zij draagt verweerder daarom op om aan eiser een mvv te verlenen.

Procesverloop

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing
van zijn aanvraag om verlening van een mvv voor verblijf bij referente. Eiser is geboren op [datum 1] 1991 en heeft de Eritrese nationaliteit. Hij heeft op 15 augustus 2018 onderhavige aanvraag ingediend. Referente, [referente] , is geboren op [datum 2] 2003 en verblijft in Nederland op grond van een verblijfsvergunning asiel.
2.1.
De ouders van eiser en referente zijn overleden toen zij nog jong waren, waarna
zij bij hun oma zijn gaan wonen. In 2009 is eiser Eritrea ontvlucht om aan de dienstplicht te
ontkomen. De oma van eiser en referente is in 2017 overleden, kort nadat referente Eritrea
had verlaten.
2.2.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser voor de eerste maal op 17 juli 2020
ongegrond verklaard. Aan de afwijzing lag toen ten grondslag dat eiser zijn identiteit en de
familierechtelijke relatie met referente niet had aangetoond. Verweerder heeft aangenomen
dat eiser in bewijsnood is, maar heeft geen nader onderzoek aangeboden omdat er tussen
eiser en referente geen beschermenswaardig familieleven is in de zin van artikel 8 van het
EVRM. [2] Zij hebben geen hechte persoonlijke banden met elkaar, aldus verweerder.
2.3.
Eisers beroep tegen dit besluit is bij uitspraak van 23 april 2021 door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard. [3] Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat tussen eiser en referente geen hechte persoonlijke banden bestaan. Hierbij heeft de rechtbank onder meer van belang geacht dat eiser en referente tot het vertrek van eiser uit Eritrea samen hebben gewoond, dat eiser in Eritrea voor referente heeft gezorgd, dat zij nog altijd frequent contact hadden, en dat eiser heeft verklaard dat hij voor referente een ouderrol vervulde na het overlijden van hun ouders.
2.4.
Verweerder heeft bij besluit van 24 juni 2021 het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Hij heeft het standpunt gehandhaafd dat eiser en referente geen hechte persoonlijke banden hebben. Hierbij betrekt verweerder dat uit de verklaringen van eiser en referente is gebleken dat eiser in 2009 is vertrokken naar Israël en dat referente tot aan haar vertrek naar Nederland in 2017 bij haar oma in Eritrea is blijven wonen.
2.5.
Eisers beroep tegen dit besluit is door deze rechtbank en zittingsplaats op 17 mei 2022 gegrond verklaard. [4] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het besluit van 24 juni 2021 dezelfde omstandigheden heeft betrokken bij zijn standpunt dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden als in het vernietigde besluit van 17 juli 2020, terwijl in rechte vaststaat dat die motivering niet voldeed. Ook heeft verweerder volgens de rechtbank ten onrechte niet gemotiveerd waarom de omstandigheid dat de ouders en grootouders van eiser en referente zijn overleden, en zij alleen nog elkaar hebben, niet maakt dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden. Dit klemt volgens de rechtbank te meer nu verweerder niet heeft betwist dat eiser en referente door het overlijden van hun ouders en hun oma meer naar elkaar zijn toegegroeid. Ook wordt uit het besluit volgens de rechtbank onvoldoende duidelijk of verweerder bij zijn beoordeling heeft betrokken dat eiser Eritrea gedwongen heeft verlaten.
2.6.
Verweerder heeft daarop met zowel eiser als referente een gehoor afgenomen. Hierna heeft verweerder op 10 februari 2023 een nieuw besluit genomen, waarin het bezwaar voor de derde keer ongegrond is verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de identiteit van eiser vast is komen te staan en dat de familierechtelijke relatie aannemelijk wordt geacht. Ook is tussen eiser en referente sprake van hechte persoonlijke banden. De belangenafweging valt volgens verweerder echter in het nadeel van eiser en referente uit. Daarom is de afwijzing niet in strijd met artikel 8 van het EVRM, aldus verweerder.
2.7.
Eisers beroep tegen dit besluit is door deze rechtbank en zittingsplaats op 26 januari 2024 voor een derde keer gegrond verklaard. [5] De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte niet heeft betrokken dat de fysieke aanwezigheid van eiser bij referent wenselijk is. De rechtbank overweegt verder dat de specifieke situatie van referente niet is betrokken bij de stappen naar zelfstandigheid. Verweerder heeft overwogen dat in het nadeel van referente weegt dat zij stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. De rechtbank is met eiser eens dat de lange duur van de procedure een relevante omstandigheid is in dat verband. De rechtbank is van oordeel dat de duur van de procedure ten onrechte niet is betrokken in de belangenafweging. Ook heeft verweerder het economisch belang van de Nederlandse staat onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank is van oordeel dat
de belangenafweging op dit punt onvoldoende is toegespitst op de situatie van eiser.
2.8.
Verweerder heeft op 10 april 2024 contact opgenomen met eisers gemachtigde over een hoorzitting. Gemachtigde heeft toen aangegeven dat de situatie ten opzichte van het gehoor op 23 november 2022, onveranderd is. Om die reden is afgezien van een aanvullende ambtelijke hoorzitting.
2.9.
Met het besluit van 2 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar voor de vierde keer ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 26 juli 2024 beroep ingesteld.
2.10.
Eiser heeft op 3 oktober 2025 aanvullende gronden van beroep ingediend. Deze zijn op 10 oktober 2025 aangevuld.
2.11.
Verweerder heeft op 14 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.12.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben referente, eisers gemachtigde, S. Ridane als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat staat er in het bestreden besluit?
3. In het bestreden besluit is aangenomen dat er sprake is van hechte persoonlijke banden en vastgesteld dat er familie- en gezinsleven is tussen eiser en referente. De belangenafweging valt echter in het nadeel van eiser uit. Nederland hanteert een restrictief toelatingsbeleid waarbij eerste toelating een rol kan spelen indien er bijzondere omstandigheden zijn. Deze zijn er niet. Er is wel sprake van een objectieve belemmering. Echter kan volgens verweerder de invulling aan het gezinsleven worden voortgezet zoals dit al geruime tijd gaat. Omdat referente een bijstandskering ontvangt weegt het economisch belang zwaar in het nadeel van eiser. Van referente mag worden verwacht dat zij een eigen inkomen heeft om de kosten van het levensonderhoud van haar gezin te betalen. Zij heeft aangegeven ten tijde van de ambtelijke hoorzitting geen werk te hebben. De overige economische belangen, hoewel eiser wellicht deel zal nemen aan de arbeidsmarkt, maakt niet dat hij geen scholing of gezondheidszorg nodig zal hebben. De binding met Nederland van eiser bestaat enkel uit het feit dat referente hier verblijft. Gelet hierop stelt verweerder zich op het standpunt dat de Nederlandse staat geen positieve verplichting heeft om verblijf toe te kennen aan eiser. De weigering is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM.
Heeft verweerder de uitspraak van 26 januari 2024 voldoende bij het bestreden besluit betrokken?
4. Eiser voert aan dat verweerder de uitspraak van 26 januari 2024 onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij het bestreden besluit. In de uitspraak van 26 januari 2024 is overwogen dat weliswaar niet is onderbouwd dat de fysieke aanwezigheid van eiser in Nederland noodzakelijk is, maar dat verweerder in zijn belangenafweging wel had moeten betrekken dat zijn fysieke aanwezigheid wenselijk is. Aan de wenselijkheid wordt in het bestreden besluit echter geen enkele overweging besteed waardoor niet gezegd kan worden dat deze kenbaar is betrokken bij de belangenafweging. In de uitspraak van 26 januari 2024 is ook overwogen dat de duur van de procedure een relevante omstandigheid is die meegenomen had moeten worden in de belangenafweging. Uit de bestreden beschikking van 2 juli 2024 blijkt niet dat bovengenoemde omstandigheid kenbaar in de belangenafweging is betrokken. Ook voor wat het economische belang van de Staat betreft is niet gebleken dat verweerder rekening heeft gehouden met de uitspraak van 26 januari 2024. Eiser voert aan dat verweerder herhaalt dat de overkomst van eiser naar alle waarschijnlijkheid een economische belasting zal vormen voor de Nederlandse samenleving en dat verweerder de arbeidsmarkt wenst te beschermen, maar volgens de uitspraak van de rechtbank had verweerder dit beter moeten motiveren. Dat heeft verweerder niet gedaan. Referente is een alleenstaande moeder van een ondertussen 5-jarig kind. Eiser heeft aangegeven dat hij kan werken. Referente wil graag zelf inkomsten genereren maar dat is voor haar niet makkelijk gelet op haar omstandigheden. Eiser verwijst in dit kader naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 december 2022. [6]
4.1.
Verweerder stelt zich, kortgezegd, op het standpunt dat met het bestreden besluit van 2 juli 2024 is voldaan aan de opdracht(en) die deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 26 januari 2024 aan verweerder heeft opgelegd.
4.2.
De rechtbank is met eiser van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan hetgeen deze rechtbank en zittingsplaats in de uitspraak van 26 januari 2024 heeft opgelegd.
Fysieke aanwezigheid
5. Ten aanzien van de wenselijkheid van eisers aanwezigheid bij referente is in die uitspraak het volgende overwogen:
9.1
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen vinden dat uit de verklaringen van eiser en referente niet blijkt dat de fysieke aanwezigheid van eiser voor referente noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit echter ten onrechte niet betrokken dat uit de verklaringen van eiser en referente wel duidelijk naar voren komt, en in de beroepsgronden is onderbouwd, dat de aanwezigheid van eiser voor referente wenselijk is. In het bestreden besluit wordt in dat verband overwogen dat van referente, gelet op haar situatie, in toenemende mate ook verwacht mag worden dat zij stappen naar zelfstandigheid zet, en dat de redenen van haar afhankelijkheid onduidelijk zijn. De specifieke situatie van referente is hierbij echter ten onrechte niet betrokken. Uit de beroepsgronden en toelichting ter zitting blijkt namelijk wel degelijk dat referente in een situatie van afhankelijkheid verkeert. Zij is als 15-jarige alleenstaande vluchteling naar Nederland gekomen, is alleenstaand moeder geworden op haar 19e, en referente en eiser zijn, na het overlijden van hun oma, elkaars enige overgebleven familieleden. Bovendien heeft referente verklaard zeer moeilijk hulp te kunnen vinden, nu zij niet meer bijgestaan wordt door het NIDOS nadat zij meerderjarig is geworden. Verweerder heeft deze omstandigheden onvoldoende betrokken in het bestreden besluit. Gelet hierop hebben eiser en referente aannemelijk gemaakt dat, voor zover de fysieke aanwezigheid van eiser niet noodzakelijk is, deze in ieder geval wenselijk is voor referente. [7]
Verweerder verwijst voor de motivering van de wenselijkheid van eisers aanwezigheid bij referente naar pagina 7 van het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat verweerder onder ‘Binding met Nederland’ daarin een eenzelfde motivering hanteert als in de vorige beslissing op bezwaar voor wat betreft de voortzetting van het gezinsleven. De rechtbank stelt verder vast dat verweerder de wenselijkheid van de fysieke aanwezigheid van eiser alleen heeft beoordeeld in het kader van de binding met Nederland. Verweerder heeft die wenselijkheid enkel betrokken bij het oordeel dat artikel 8 van het EVRM niet is bedoeld om de (sociaal) economische positie van eiser te betrekken. Dat is niet volgens de opdracht van de rechtbank zoals hierboven is weergegeven. Uit de besluitvorming blijkt naar het oordeel van de rechtbank geenszins dat verweerder de specifieke situatie van referente, zoals de rechtbank die in haar uitspraak van 26 januari 2024 heeft weergegeven, heeft betrokken bij wenselijkheid van de fysieke aanwezigheid van eiser. De rechtbank ziet hierin een motiveringsgebrek. Deze beroepsgrond slaagt.
Tijdsverloop
6. Eiser heeft de aanvraag voor een mvv op 15 augustus 2018 ingediend. Ten tijde van het bestreden besluit is dat ruim zes jaar geleden. Ten aanzien van het tijdsverloop heeft deze rechtbank in de uitspraak van 26 januari 2024 het volgende overwogen:
9.2.
Verweerder heeft verder in het bestreden besluit in het nadeel van referente gewogen dat zij stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. De rechtbank is met eiser eens dat de lange duur van de procedure in dat verband een relevante omstandigheid is. De procedure duurde op het moment dat verweerder het bestreden besluit nam al meer dan vijf jaar, mede omdat twee eerdere besluiten van verweerder vernietigd zijn door de rechtbank. Die omstandigheid heeft verweerder ten onrechte niet in de belangenafweging betrokken. [8]
Verweerder heeft zich in zijn besluitvorming en op de zitting op het standpunt gesteld dat hij een restrictief toelatingsbeleid hanteert en het tijdsverloop niet leidt tot een positieve verplichting van de Nederlandse staat. De rechtbank is van oordeel dat het enkel verwijzen naar het restrictief toelatingsbeleid geen motivering is voor waarom het tijdsverloop niet tot een positieve verplichting leidt. Immers, het restrictief toelatingsbeleid is een algemeen uitgangspunt van verweerder dat ook in de eerdere besluiten is gehanteerd. De rechtbank constateert daarentegen dat feitelijk blijkt dat de lange duur van de procedure steeds meer in het nadeel van eiser en referente werkt omdat het voor referente steeds moeilijker wordt om aan de voorwaarden te voldoen. Zij is immers naarmate zij ouder wordt steeds meer in staat om een zelfstandig leven te leiden. Waar in de eerdere bestreden besluiten het middelenvereiste uitdrukkelijk niet aan referente werd tegengeworpen, wordt dat in het bestreden besluit wel gedaan. Verweerder heeft aangegeven dat de reden hiervoor is gelegen in het tijdsverloop. Van referente mag volgens verweerder ondertussen verwacht worden dat zij zelfstandig in haar levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank is van oordeel dat het niet redelijk is dat het tijdsverloop zonder nadere motivering voor rekening en risico van eiser en referente komt. Zij kunnen er niets aan doen dat deze procedure al zo lang loopt. De enkele verwijzing naar het restrictief toelatingsbeleid is daarvoor geen afdoende motivering. Dit geeft immers geen blijk van een afweging zoals de rechtbank die in haar uitspraak heeft opgedragen. De rechtbank merkt dit aan als een motiveringsgebrek. Deze beroepsgrond slaagt.
Het economisch belang
7. Bij aanvullende beroepsgronden van 3 en 10 oktober 2025 heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat referente stappen heeft gezet om werk te vinden. Referente is klaar met het integratietraject en haar zoon gaat ondertussen naar de buitenschoolse opvang waardoor referente meer tijd heeft om te werken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat deze nieuwe omstandigheden het bestreden besluit niet onrechtmatig maken. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat deze omstandigheden niet speelden ten tijde van het bestreden besluit. Gelet op de ex-tunc toetsing kan de rechtbank deze omstandigheden daarom niet bij haar oordeel betrekken.
7.1.
Zoals hiervoor is overwogen wordt in het bestreden besluit het middelenvereiste tegengeworpen aan referente. Dit was in het vorige besluit van 10 februari 2023 niet het geval. Verweerder weegt zwaar in het nadeel van eiser dat referente niet in haar eigen inkomsten voorziet. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft over het economisch belang in haar uitspraak van 26 januari 2024 het volgende overwogen:
9.3
De rechtbank is verder van oordeel dat eiser zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verweerder het economisch belang van de Nederlandse Staat onvoldoende heeft gemotiveerd. In het bestreden besluit heeft verweerder daarbij betrokken dat van referente nog niet wordt verwacht dat zij aan het inkomensvereiste voldoet. In het nadeel van eiser is gewogen dat eiser gebruik zou maken van scholing, gezondheidszorg, infrastructuur, en dat de staat kosten zou maken ten behoeve van zijn inburgering. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging op dit punt onvoldoende is toegespitst op de situatie van eiser. Eiser heeft aangevoerd dat hij de kosten voor zijn inburgeringscursus zelf zal moeten betalen. Ook heeft eiser aangevoerd dat hij werkervaring heeft in Israël als maaltijdbezorger en dat, gelet op de krapte van de arbeidsmarkt, hij naar verwachting in Nederland snel aan het werk zal kunnen en geen beroep zal doen op de openbare kas. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat hij geen gezondheidszorg nodig heeft en dat voor zover verweerder aan hem tegenwerpt dat hij de infrastructuur zou gebruiken, eiser voor het openbaar vervoer zou betalen en belasting zou afdragen. Verweerder heeft eisers stellingen niet betwist. Gelet hierop is verweerders standpunt, in het verweerschrift, dat eiser hoe dan ook een (economische) belasting voor de Nederlandse samenleving vormt, enkel nog gebaseerd op de omstandigheid dat eiser mogelijk in de toekomst een beroep zou doen op de door de staat gefinancierde gezondheidszorg, en op de bescherming van de arbeidsmarkt. Deze belangen gelden voor elke vreemdeling, en zijn dusdanig algemeen dat deze naar het oordeel van de rechtbank verweerders standpunt niet kunnen dragen dat het belang van de staat zwaarder weegt dan het belang van eiser en referente om met elkaar herenigd te worden. De beroepsgrond slaagt. [9]
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit is ingegaan op de mogelijke werkzaamheden van eiser in Nederland. Hij stelt zich op het standpunt dat, hoewel eiser in Israël werkzaam is, dit niet maakt dat vaststaat dat eiser hier na aankomst gelijk zal toetreden op de arbeidsmarkt. De rechtbank kan dit standpunt van verweerder volgen. Verweerder heeft echter de overige elementen die de rechtbank in haar uitspraak van 26 januari 2024 heeft opgesomd niet betrokken bij het economisch belang. Daarmee heeft verweerder in het bestreden besluit dezelfde omstandigheden betrokken voor zijn standpunt dat het economisch belang in het nadeel uitvalt van eiser, terwijl met de uitspraak van 26 januari 2024 in rechte vaststaat dat die motivering niet voldeed. Er is daarom ook op dit punt sprake van een motiveringsgebrek. Deze beroepsgrond slaagt ook.
7.2
Wellicht vindt verweerder de door de rechtbank genoemde omstandigheden niet relevant in het kader van de belangenafweging met betrekking tot het economisch belang, maar dat standpunt heeft verweerder niet ingenomen. Verweerder is immers niet in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak. De rechtbank stelt ook ten aanzien van het economisch belang vast dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de uitspraak van 26 januari 2025.
8. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond.
Conclusie en gevolgen
9. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet de bestuursrechter een geschil zoveel mogelijk definitief beslechten. Hoewel het in beginsel aan verweerder is om te beoordelen of een uitspraak van de rechtbank leidt tot de gevraagde vergunning, ziet de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Hierbij acht de rechtbank van belang dat deze procedure al zeer lang duurt, de zaak al drie keer heeft voorgelegen bij de bestuursrechter en het bestreden besluit telkens is vernietigd. De rechtbank concludeert dat verweerder thans voor de vierde keer onvoldoende heeft gemotiveerd dat er zwaarwegende belangen zijn die maken dat inmenging in het privéleven van eiser geoorloofd is. Het geven van nog een gelegenheid aan verweerder om het bezwaar opnieuw te beoordelen en voor een vijfde keer een belangenafweging te maken, zou daarom naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze inhouden.
10. Om bovenstaande redenen zal de rechtbank in het kader van finale geschilbeslechting met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank zal verweerder opdragen aan eiser een mvv te verlenen, binnen een termijn van vier weken na bekendmaking van deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder bepaalt de rechtbank dat verweerder het griffierecht van
€ 187,- aan eiser moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 juli 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit; en
- draagt verweerder op om binnen een termijn van vier weken eiser in het bezit te stellen van een machtiging tot voorlopig verblijf met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente] ’;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zaaknummer AWB 20/6283.
4.Zaaknummer NL21.11722.
5.Zaaknummer NL23.6208.
6.Zaaknummer AWB 22/855.
7.Zaaknummer NL23.6208 onder rechtsoverweging 9.1.
8.Idem onder rechtsoverweging 9.2.
9.Zaaknummer NL23.6208 onder rechtsoverweging 9.3.