7.2Wellicht vindt verweerder de door de rechtbank genoemde omstandigheden niet relevant in het kader van de belangenafweging met betrekking tot het economisch belang, maar dat standpunt heeft verweerder niet ingenomen. Verweerder is immers niet in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak. De rechtbank stelt ook ten aanzien van het economisch belang vast dat verweerder zich niet heeft gehouden aan de uitspraak van 26 januari 2025.
8. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond.
9. Op grond van artikel 8:41a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet de bestuursrechter een geschil zoveel mogelijk definitief beslechten. Hoewel het in beginsel aan verweerder is om te beoordelen of een uitspraak van de rechtbank leidt tot de gevraagde vergunning, ziet de rechtbank in dit specifieke geval aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Hierbij acht de rechtbank van belang dat deze procedure al zeer lang duurt, de zaak al drie keer heeft voorgelegen bij de bestuursrechter en het bestreden besluit telkens is vernietigd. De rechtbank concludeert dat verweerder thans voor de vierde keer onvoldoende heeft gemotiveerd dat er zwaarwegende belangen zijn die maken dat inmenging in het privéleven van eiser geoorloofd is. Het geven van nog een gelegenheid aan verweerder om het bezwaar opnieuw te beoordelen en voor een vijfde keer een belangenafweging te maken, zou daarom naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze inhouden.
10. Om bovenstaande redenen zal de rechtbank in het kader van finale geschilbeslechting met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak voorzien. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank zal verweerder opdragen aan eiser een mvv te verlenen, binnen een termijn van vier weken na bekendmaking van deze uitspraak.
11. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder bepaalt de rechtbank dat verweerder het griffierecht van
€ 187,- aan eiser moet vergoeden.