Eiser, een reservist bij Defensie, maakte bezwaar tegen de hoogte van een financiële vergoeding voor in het verleden niet toegekend verlof, toegekend naar aanleiding van een eerdere uitspraak over de vakantieverlofregeling voor reservisten. Omdat verweerder niet tijdig op het bezwaar besliste, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank constateerde dat de termijn voor beslissing was overschreden en dat verweerder een langere termijn nodig had vanwege de omvang en complexiteit van de zaak. Er zijn 409 bezwaarmakers, waarbij per persoon handmatig diverse documenten en urenstaten moeten worden gecontroleerd. Verweerder heeft extra capaciteit ingezet en streeft naar een uniforme afhandeling.
De rechtbank weegt het belang van zorgvuldigheid en uniformiteit mee en acht een langere beslistermijn gerechtvaardigd. De termijn wordt gesteld op uiterlijk 1 april 2026. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd voor overschrijding van deze termijn. Verweerder moet het griffierecht aan eiser vergoeden.
De rechtbank wijst een verzoek om een regiezitting in december 2025 af, omdat duidelijkheid over de uiterlijke beslistermijn wenselijk is. Het beroep wordt gegrond verklaard, het niet tijdig beslissen vernietigd en verweerder opgedragen alsnog binnen de gestelde termijn te beslissen.