ECLI:NL:RBDHA:2025:21481

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
C/09/678862 / HA ZA 25-88
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige besluiten van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen met betrekking tot heffingskortingen en zorgtoeslag

In deze zaak hebben eisers, [eiser] en [eiseres], hun woning in Zweden verkocht en een woning in Hansweert gekocht. Zij stellen dat deze beslissing het gevolg is van onrechtmatige besluiten van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen, waardoor zij schade hebben geleden. De rechtbank heeft de vordering van eisers afgewezen, omdat er onvoldoende bewijs was voor een causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de gestelde schade. De rechtbank oordeelde dat de financiële noodsituatie van eisers niet voldoende was onderbouwd en dat de keuze om te verhuizen naar Nederland niet uitsluitend voortkwam uit de besluiten van de Belastingdienst. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de materiële schadeposten niet konden worden toegerekend aan de onrechtmatige besluiten, omdat deze schade het gevolg was van de eigen keuzes van eisers. Immateriële schade werd eveneens afgewezen, omdat eisers niet voldoende bewijs hebben geleverd van geestelijk leed of aantasting in hun persoon. De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd, waarbij elke partij zijn eigen kosten draagt.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaaknummer: C/09/678862 / HA ZA 25-88
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van

1.[eiser] te [woonplaats 1] ,2. [eiseres] te [woonplaats 2] ,

eisers,
hierna samen te noemen: [eiser] en [eiseres] ,
advocaat: mr. L.J. de Rijke,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (het ministerie van Financiën)te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mrs. B.T. Beumers en E. Boele van Hensbroek.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
Eisers hebben hun woning in [land] verkocht en een woning in [plaats 1] gekocht. Zij stellen dat dit het gevolg is van onrechtmatige besluiten van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen en dat zij daardoor schade hebben geleden. Partijen verschillen van mening over de vraag of sprake is van een causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de gestelde schade. De rechtbank wijst de gevorderde schade af.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 17 maart 2023, met productie 1 tot en met 3;
- de akte eiswijziging tevens houdende akte in het geding brengen producties van 12 maart 2025, met producties 4 en 5;
- de conclusie van antwoord van de Staat van 22 april 2025, met producties 1 tot en met 11.
2.2.
Op 10 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

3.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Woonsituatie [eiser] en [eiseres]
3.1.
In 2007 hebben [eiser] en [eiseres] een huis in [land] gekocht. Vanaf 2012 zijn zij een deel van het jaar daar gaan wonen. Zij lieten zich uitschrijven uit de Basisregistratie Personen en schreven zich in in de Nederlandse Registratie Niet-ingezetenen en het personensysteem in [land] .
3.2.
In januari 2015 hebben [eiser] en [eiseres] een stacaravan in [plaats 2] gekocht. Vanaf maart 2017 hebben zij zich ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres van deze stacaravan. In 2018 hebben [eiser] en [eiseres] hun woning in [land] verkocht en een woning in [plaats 1] gekocht. Na toewijzing van een sociale huurwoning in [woonplaats 2] in augustus 2019 zijn [eiser] en [eiseres] daarnaartoe verhuisd.
Heffingskortingen en zorgtoeslag
3.3.
In de eerste jaren na hun verhuizing naar [land] hebben [eiser] en [eiseres] in Nederland aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gedaan als buitenlandse belastingplichtigen en in hun aangiften vermeld dat zij in [land] woonachtig waren. Tot en met 2014 hebben zij op grond van het toen geldende artikel 2.5 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) (oud) gekozen voor toepassing van de regels van de Wet IB (oud) gekozen voor toepassing van de Wet IB 2001 voor binnenlandse belastingplichtigen, waardoor zij aanspraak bleven maken op de heffingskorting voor de inkomstenbelasting.
3.4.
Deze keuzeregeling verviel per 1 januari 2015, waarna [eiser] en [eiseres] aannemelijk moesten maken dat zij een duurzame band van persoonlijke aard hadden met Nederland om nadien in aanmerking te komen voor heffingskortingen. De inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur) heeft in de aan [eiser] opgelegde definitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2015 en de aan [eiseres] opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2016 de heffingskorting vastgesteld op nihil, met als gevolg dat [eiser] en [eiseres] te weinig belasting hadden betaald en een schuld bij de Belastingdienst ontstond. De daartegen gemaakte bezwaren en ingestelde beroepen zijn door de rechtbank Zeeland-West Brabant ongegrond verklaard. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hierna: het Gerechtshof) heeft bij uitspraken van 19 september 2019 de beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West Brabant gegrond verklaard en de uitspraken van de Inspecteur vernietigd. Het Gerechtshof heeft de heffingskorting waar [eiser] en [eiseres] gezamenlijk aanspraak op konden maken vastgesteld op € 972,00 voor aanslagjaar 2015 en € 1.661,00 voor aanslagjaar 2016.
3.5.
De verhuizing van [eiser] en [eiseres] naar [land] heeft ook gevolgen gehad voor de berekening van hun zorgtoeslag. De Dienst Toeslagen heeft van maart tot september 2018 de zorgtoeslag van [eiser] en [eiseres] over toeslagjaren 2014 tot en met 2016 een aantal keer opnieuw berekend en achteraf geconstateerd dat bij een deel van die berekeningen fouten zijn gemaakt.
Aansprakelijkheid
3.6.
[eiser] en [eiseres] hebben de Belastingdienst op 31 maart 2020 om schadevergoeding verzocht. Dit verzoek heeft de Belastingdienst op 30 juli 2020 afgewezen. Op 4 september 2020 hebben [eiser] en [eiseres] verzocht om heroverweging van dat besluit. Bij brief van 17 november 2020 heeft de Belastingdienst dat verzoek ook afgewezen.
3.7.
In 2020 hebben [eiser] en [eiseres] zich gemeld als gedupeerden van de kinderopvangtoeslagaffaire. Van de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen hebben zij ieder € 750,00 ontvangen.
3.8.
Bij brief van 24 november 2021 heeft de Belastingdienst, na een gesprek met de staatssecretaris, uit coulance een bedrag van € 4.000,00 aan [eiser] en [eiseres] toegekend. Van dit bedrag is € 1.500,00 afgetrokken, omdat dit al in 2020 was toegekend. Er is dus nog een bedrag van € 2.500,00, aangevuld met rente, aan [eiser] en [eiseres] overgemaakt.
3.9.
Bij brief van 23 mei 2022 hebben [eiser] en [eiseres] de Belastingdienst verzocht de aansprakelijkheid te erkennen. Bij brief van 5 juli 2022 heeft de Belastingdienst het verzoek afgewezen.
3.10.
Bij brief van 23 juni 2023 heeft de Staat aansprakelijkheid erkend voor de onrechtmatige besluiten:
Heffingskorting
  • de definitieve aanslag met nummer [aanslagnummer 1] van 23 juni 2017;
  • de uitspraak op het bezwaarschrift van 29 augustus 2017;
  • de definitieve aanslag met nummer [aanslagnummer 2] van 30 september 2016;
  • de uitspraak op het bezwaarschrift van 11 april 2017;
Zorgtoeslag
Toeslagjaar 2012
 de herziene voorschotbeschikking van 29 december 2012, [beschikking 1] ;
Toeslagjaar 2013
  • de herziene voorschotbeschikking van 31 december 2012, [beschikking 2] ;
  • de herziene voorschotbeschikking van 22 januari 2013, [beschikking 3] ;
  • de herziene voorschotbeschikking van 23 april 2013, [beschikking 4] ;
  • de definitieve toekenning van 4 november 2016, [toekenning 1] ;
Toeslagjaar 2014
  • de voorschotbeschikking van 27 december 2013, [beschikking 5] ;
  • de herziene voorschotbeschikking van 21 maart 2014, [beschikking 6] ;
  • de herziene voorschotbeschikking van 22 april 2014, [beschikking 7] ;
  • de definitieve toekenning van 6 januari 2017, [toekenning 2] ;
  • de herziene definitieve toekenning van 20 april 2018, [toekenning 3] ;
  • de beslissing op bezwaar van 22 mei 2018, BOB KO10 BT17;
  • de herziene definitieve toekenning van 21 juli 2018, [toekenning 4] ;
Toeslagjaar 2015
  • de voorschotbeschikking van 27 december 2014, [beschikking 8] ;
  • de herziene voorschotbeschikking van 21 augustus 2015, [beschikking 9] ;
  • de definitieve toekenning van 26 januari 2018, [toekenning 5] ;
  • de herziene definitieve toekenning van 20 april 2018, [toekenning 6] ;
  • de beslissing op bezwaar van 22 mei 2018, BOB KO10 BT17;
  • de herziene definitieve toekenning van 15 juni 2018, [toekenning 7] ;
  • de herziene definitieve toekenning van 21 juli 2018, [toekenning 8] ;
Toeslagjaar 2016
  • de herziene definitieve toekenning van 20 april 2018, [toekenning 9] ;
  • de beslissing op bezwaar van 22 mei 2018, BOB KO10 BT17;
  • de herziene definitieve toekenning van 15 juni 2018, [toekenning 10] ;
Toeslagjaar 2017
  • de voorschotbeschikking van 28 december 2016, [beschikking 10] ;
  • de herziene voorschotbeschikking van 22 mei 2017, [beschikking 11] ;
  • de herziene voorschotbeschikking van 21 juli 2017, [beschikking 12] .

4.Het geschil

4.1.
[eiser] en [eiseres] vorderen - samengevat en na eiswijziging - dat de rechtbank:
voor recht verklaart dat de Staat aansprakelijk is wegens onrechtmatige overheidsdaad;
de hieruit voortgevloeide immateriële en materiële schade vaststelt op € 44.984,00 (minus reeds uitbetaalde vergoedingen)
met veroordeling van de Staat in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met rente.
4.2.
[eiser] en [eiseres] leggen daaraan ten grondslag dat zij door onrechtmatige besluiten van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen in dusdanige financiële nood en paniek zijn geraakt dat zij hun huis in [land] hebben verkocht en de woning in [plaats 1] hebben gekocht. [eiser] en [eiseres] stellen dat zij schade hebben opgelopen, die bestaat uit:
het verschil tussen de waarde van de woning in [land] ten tijde van de verkoop en de waarde in oktober 2022, van € 12.000,00;
de kosten in verband met de woning in [plaats 1] van € 8.210,00;
gemaakte verhuis-, herinrichtings- en onkosten van € 5.000,00;
e verkoopcourtage in [land] van € 3.774,00;
immateriële schade als gevolg van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van € 16.000.
4.3.
De Staat voert verweer.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Verklaring voor recht
5.1.
De Staat voert aan dat [eiser] en [eiseres] geen belang hebben bij de gevorderde verklaring voor recht. Niet in geschil is dat verschillende besluiten van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen achteraf bezien onrechtmatig waren. De Staat verwijst naar zijn brief van 23 juni 2023, waarin de Staat aansprakelijkheid heeft erkend.
5.2.
De rechtbank zal de vordering onder 1 afwijzen. Tijdens de zitting hebben [eiser] en [eiseres] te kennen gegeven dat hun belang nog is gelegen in een veroordeling van de Staat in de proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eiser] en [eiseres] daarmee geen belang (meer) bij de gevorderde verklaring voor recht. Of zij in aanmerking komen voor een vergoeding van hun proceskosten zal de rechtbank hierna beoordelen. Voor die beoordeling is geen verklaring voor recht nodig.
Schadevergoeding
5.3.
Artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verplicht degene die een onrechtmatige daad jegens een ander begaat om, indien dit hem kan worden toegerekend, de schade van die ander te vergoeden die als gevolg van de onrechtmatige daad wordt geleden. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade is dus alleen plaats als er een causaal verband bestaat tussen de onrechtmatige gedraging en de geleden schade. Het is aan degene die stelt schade te hebben geleden om voldoende te onderbouwen dat hij deze schade niet had geleden als de onrechtmatige gedraging achterwege was gebleven (het zogenaamde conditio sine qua non-verband). Uit artikel 6:98 BW volgt dat alleen die schade voor vergoeding in aanmerking komt die in zodanig verband staat met de onrechtmatige daad , dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van deze gebeurtenis kan worden toegerekend.
Conditio sine qua non-verband
5.4.
De Staat voert aan dat [eiser] en [eiseres] onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de verkoop van de woning in [land] en de koop van de woning in [plaats 1] in causaal verband staan met de onrechtmatige besluiten van de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen. Zij hebben hun financiële situatie ten tijde van de verkoop onvoldoende onderbouwd, aldus de Staat. De Staat heeft naar voren gebracht dat de schuld wegens ontvangen zorgtoeslag op 20 april 2018 € 1.445,00 was, op 7 juli 2018 nog maar
€ 367,00 was en op 7 september 2018 niet meer bestond. Ook heeft de Staat aangevoerd dat [eiser] en [eiseres] de mogelijkheid hadden om het hoger beroep bij het Gerechtshof af te wachten, nu uitstel van betaling was verleend wat betreft de heffingskortingen.
5.5.
[eiser] en [eiseres] hebben ervoor gekozen de woning in [land] te verkopen en een woning en [plaats 1] te kopen. Tijdens de zitting hebben [eiser] en [eiseres] hun redenen voor deze keuze toegelicht aan de hand van hun situatie in het voorjaar van 2018:
  • Het was [eiser] en [eiseres] niet toegestaan zich in te schrijven op het adres van de stacaravan in [plaats 2] en zij vreesden een hoge dwangsom van € 20.000 te verbeuren als gevolg van deze inschrijving.
  • Zij verkeerden in de veronderstelling dat een inschrijving in de Basisregistratie Personen in Nederland nodig was om in aanmerking te komen voor de heffingskorting en zochten daarom een woning in Nederland. Zonder de heffingskorting konden zij namelijk niet rondkomen. Om een woning in Nederland te kunnen betalen, moesten zij de woning in [land] verkopen.
  • Aan [eiser] en [eiseres] was geen heffingskorting verleend over 2015 en 2016 en zij hadden de rechtszaak daarover bij de rechtbank verloren. De invordering was volgens hen gedurende het hoger beroep bij het Gerechtshof stopgezet, maar zij vreesden het hoger beroep te verliezen. Ook hadden zij een schuld vanwege ontvangen zorgtoeslagen. Zij vreesden dat onder hen beslag zou worden gelegd zonder rekening te houden met de beslagvrije voet, omdat hun woning in [land] stond.
5.6.
Tijdens de zitting heeft [eiseres] desgevraagd gezegd dat [eiser] en zij in mei/juni 2018 het huis in [land] in de verkoop hebben gezet en dat zij daarom geen rekening konden houden met de besluiten over de zorgtoeslag van een latere datum. Uit het dossier blijkt echter niet wanneer het huis in de verkoop is gezet of wanneer de verkoop precies heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt verder dat [eiser] en [eiseres] hun financiële situatie ten tijde van de verkoop niet met stukken hebben onderbouwd. Tijdens de zitting hebben zij gesteld dat zij net konden rondkomen en ongeveer € 2.500,00 aan spaargeld hadden, maar zij hebben bijvoorbeeld geen aangiften IB/PVV overgelegd waaruit hun inkomens- en vermogenspositie zou kunnen worden afgeleid. Ook hebben [eiser] en [eiseres] niet onderbouwd dat er invorderingsmaatregelen waren getroffen. In ieder geval is niet in geschil dat [eiser] en [eiseres] tijdens het hoger beroep bij het Gerechtshof geen heffingskortingen hoefden terug te betalen. Wel hebben [eiser] en [eiseres] nog verklaard dat zij in juni 2018 de caravan voor € 4.500 hebben verkocht.
Gelet op al het voorgaande, staat niet vast dat er een financiële noodsituatie bestond.
5.7.
Tijdens de zitting hebben [eiser] en [eiseres] aangeboden om hun financiële positie ten tijde van de verkoop in 2018 te bewijzen. De rechtbank gaat aan dat aanbod voorbij. Ook als vast zou komen te staan dat [eiser] en [eiseres] geen andere middelen hadden, volgt daaruit nog niet dat de gevorderde schadeposten aan de onrechtmatige besluiten kunnen worden toegerekend. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Toerekening, artikel 6:98 BW
5.8.
Bij de beoordeling van het causaal verband is de ontstaanswijze van de schade van belang. Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen directe schade, dat wil zeggen schade die het rechtstreekse gevolg is van de werking van de onrechtmatige besluiten, en indirecte schade. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het bij de materiële schadeposten waarvan [eiser] en [eiseres] vergoeding vorderen niet om directe schade, maar om indirecte schade. De schadeposten zijn het (rechtstreeks) gevolg van de keuze van [eiser] en [eiseres] om in 2018 het huis in [land] te verkopen en het huis in [plaats 1] te kopen.
Die keuze van [eiser] en [eiseres] kan in meer of meerdere mate beïnvloed zijn door de onrechtmatige besluiten. De mate van beïnvloeding is van belang voor de vraag of de schadeposten nog kunnen worden toegerekend aan de onrechtmatige besluiten.
5.9.
Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de materiële schadeposten niet worden toegerekend aan de onrechtmatige besluiten, gelet op het volgende.
5.10.
Toerekening van de materiële schadeposten aan de onrechtmatige besluiten ligt niet voor de hand omdat uit de eigen stellingen van [eiser] en [eiseres] volgt dat hun beslissing om het huis in [land] te verkopen en het huis in [plaats 1] te kopen ook door andere omstandigheden beïnvloed werd:
(1) de dreigende inning van de dwangsom door de gemeente [gemeente] . Deze omstandigheid staan niet in causaal verband tot de onrechtmatige besluiten;
(2) de veronderstelling van [eiser] en [eiseres] dat een inschrijving in de Basisregistratie Personen in Nederland (ook voor de toekomst) nodig was om zekerheid te verkrijgen over de heffingskorting. Die zekerheid wilden zij omdat ze de heffingskorting nodig hebben om rond te komen. Ook deze omstandigheid staat niet in causaal verband tot de onrechtmatige besluiten. Uit de onrechtmatige besluiten volgt niet dat inschrijving een noodzakelijke voorwaarde was om heffingskorting te verkrijgen.
Dat een inspecteur [eiser] en [eiseres] zou hebben geadviseerd om zich (zekerheidshalve) in te schrijven is, voor zover al gebeurd, op zichzelf niet onrechtmatig, en [eiser] en [eiseres] stellen dat ook niet.
5.11.
De financiële consequenties van de onrechtmatige besluiten waren niet zo groot dat daaruit zonder meer volgt dat om die reden een verhuizing naar Nederland noodzakelijk was. [eiser] en [eiseres] hoefden geen heffingskortingen te betalen, zolang het hoger beroep bij het Gerechtshof liep en hadden de uitkomst daarvan kunnen afwachten. In juni/ juli 2018 hebben zij bovendien meer duidelijkheid gekregen over de zorgtoeslagen.
5.12.
Daarnaast heeft de Staat er terecht op gewezen dat [eiser] en [eiseres] onvoldoende hebben onderbouwd dat het verkopen van het huis in [land] en het kopen van een huis in Nederland op zich zelf een oplossing was voor financiële nood. [eiser] en [eiseres] hebben niet concreet toegelicht waarom hun financiële positie er met de verhuizing naar Nederland op vooruit zou gaan. De verhuizing zelf bracht direct hoge kosten met zich mee (courtage, hypotheekkosten, verhuizing- en inrichtingskosten).
5.13.
De Staat heeft er verder terecht op gewezen dat de verkoop van het huis in [land] niet tot schade in de zin van gemiste waardestijging heeft geleid. Aangenomen mag worden dat het huis tegen marktwaarde is verkocht, [eiser] en [eiseres] hebben in plaats daarvan het huis in [plaats 1] gekocht en hebben kunnen profiteren van een waardestijging daarvan, gelet op de alsmaar stijgende huizenprijzen in Nederland. Dat [eiser] en [eiseres] dat huis na een jaar hebben verkocht heeft het profiteren van een verdere waardestijging belet, maar dat is het gevolg van eigen keuze van [eiser] en [eiseres] en kan niet worden toegerekend aan de onrechtmatige besluiten.
5.14.
Uit het voorgaande volgt dat alle materiële schadeposten worden afgewezen.
Immateriële schade
5.15.
[eiser] en [eiseres] vorderen immateriële schade over de periode van 2015 tot 2023, een totaal bedrag van € 16.000. De rechtbank zal deze schade afwijzen en licht dat toe.
5.16.
Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in de persoon is aangetast. Van aantasting in zijn persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van aantasting in de persoon sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Volgens vaste rechtspraak kan geestelijk leed als gevolg van een onrechtmatig besluit onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting van de persoon Daarvoor is echter onvoldoende dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit. [1]
5.17.
Uit de stellingen van [eiser] en [eiseres] ter zitting begrijpt de rechtbank dat [eiser] en [eiseres] stress hebben ervaren als gevolg van de onrechtmatige besluiten. De stroom aan besluiten over de zorgtoeslag en de heffingskorting in het voorjaar van 2018 heeft bij hen tot paniek geleid over hun financiële situatie. Het is goed voorstelbaar dat [eiser] en [eiseres] ernstige zorgen hebben gehad over hun financiële situatie. Zij hebben echter geen concrete feiten gesteld die onderbouwen dat hun situatie zo ernstig was dat sprake was van geestelijk leed of aantasting in hun persoon in de zin van artikel 6:106 BW, en al helemaal niet gedurende een periode van acht jaar.
5.18.
Tijdens de zitting hebben [eiser] en [eiseres] een bewijsaanbod gedaan wat betreft de aantasting in hun persoon, maar hieraan gaat de rechtbank voorbij. Het had op de weg van [eiser] en [eiseres] gelegen om al in de dagvaarding voldoende concrete feiten te stellen, maar zij hebben daarin niets aangevoerd. Voor zover al sprake zou zijn van een aantasting in hun persoon, zou dat op grond van de eigen feitelijke stellingen van [eiser] en [eiseres] betrekking hebben op het voorjaar van 2018, een korte periode van enkele maanden. De rechtbank ziet in die stellingen geen aanleiding om een hoger bedrag aan immateriële schadevergoeding toe te kennen dan [eiser] en [eiseres] al van de Staat hebben ontvangen (€ 4.000,00). De rechtbank ziet geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de bedragen aan immateriële schadevergoeding die worden toegekend aan slachtoffers van de kinderopvangtoeslagaffaire. Daartoe overweegt zij het volgende.
5.19.
De Staat heeft erop gewezen dat ouders in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire de dupe zijn geworden van een combinatie van fraudebestrijding die soms was gebaseerd op institutioneel vooringenomen handelwijzen, het ontbreken van de menselijke maat binnen de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen, harde regelgeving met een buitenproportioneel ‘alles of niets’-karakter en een grote maatschappelijke en politieke druk om fraude te bestrijden. Het ging daarbij om heel andere omstandigheden dan die bij de onrechtmatige besluiten jegens [eiser] en [eiseres] . Bij de berekening van de zorgtoeslag van [eiser] en [eiseres] over de jaren 2014 tot en met 2016 heeft de Dienst Toeslagen ten onrechte geen rekening gehouden met de woonlandfactor van [land] , omdat geen (handmatige) controle daarvan had plaatsgevonden (brief van 28 december 2021, productie 3 bij de dagvaarding). Verder heeft de Inspecteur bij het vaststellen van de heffingskorting de duurzame banden van persoonlijke aard van [eiser] en [eiseres] met Nederland ten onrechte onvoldoende sterk geacht (uitspraken van het Gerechtshof van 19 september 2019).
5.20.
[eiseres] heeft tijdens de zitting gezegd dat [eiser] en zij als fraudeurs zijn weggezet, maar [eiser] en [eiseres] hebben dit niet met stukken onderbouwd. [eiseres] heeft tijdens de zitting verder gezegd dat op de website van de Belastingdienst staat dat de Belastingdienst mensen te hard heeft aangepakt. Ook hiervan is geen uitdraai overgelegd en onduidelijk is of dit ziet op de situatie van [eiser] en [eiseres] . Ten slotte heeft [eiseres] gezegd dat er geen reden was voor wat de Belastingdienst hen heeft aangedaan. De rechtbank overweegt daarover dat de Belastingdienst en Dienst Toeslagen gehouden waren om besluiten te nemen. Bij het nemen van besluiten worden regelmatig fouten gemaakt of, in het geval van de zorgtoeslag, achteraf correcties gemaakt, maar dat maakt niet dat iedere fout vergelijkbaar is met het handelen in de kinderopvangtoeslagaffaire. De Staat heeft naar het oordeel van de rechtbank toereikend onderbouwd dat er relevante verschillen waren die maken dat de situatie van [eiser] en [eiseres] onvoldoende vergelijkbaar is met die van slachtoffers van de kinderopvangtoeslagaffaire.
5.21.
Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de vordering onder 2 afwijzen.
Proceskosten
5.22.
De rechtbank ziet reden om te bepalen dat elk van partijen de eigen proceskosten draagt. Naar aanleiding van de dagvaarding heeft de Staat bij brief van 23 juni 2023 aansprakelijkheid erkend en opgesomd om welke onrechtmatige besluiten het ging. Weliswaar waren, zo heeft de Staat naar voren gebracht, partijen al vóór de dagvaarding met elkaar in gesprek, maar de rechtbank acht aannemelijk dat de dagvaarding heeft geleid tot een duidelijkere erkenning van aansprakelijkheid. De brieven in het dossier geven de indruk dat de Staat daarin eerder terughoudender was. Zo is in de brief van 24 november 2021 erkend dat een en ander niet juist is gegaan, maar is ook vermeld dat het aanbieden van een financiële vergoeding niet betekende dat de Belastingdienst aansprakelijkheid voor eventuele schade aanvaardde.

6.Beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen af;
6.2.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.A.M. Kroft en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.
type: 3053

Voetnoten

1.Zie Hoge Raad 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, en Centrale Raad van Beroep 8 oktober 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1939.