ECLI:NL:RBDHA:2025:21492

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
NL25.50946
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 DublinverordeningArt. 32 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Zwitserland

Eiser, met de Turkse nationaliteit, diende op 14 april 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk is, gelet op een eerdere aanvraag van eiser in Zwitserland op 23 december 2024. De Zwitserse autoriteiten hebben het verzoek tot terugname geaccepteerd.

Eiser stelde dat hij in Zwitserland onmenselijk behandeld is en geen effectieve bescherming kreeg, onder meer door mishandeling en dreiging met uitzetting naar Turkije. Hij voerde aan dat verweerder onzorgvuldig handelde door deze verklaringen zonder nader onderzoek tegenstrijdig te achten en onvoldoende individuele toets toe te passen, vooral gezien zijn psychische kwetsbaarheid.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Zwitserland systeemfouten vertoont in de asielprocedure of opvang. Ook zijn medische klachten zijn onvoldoende onderbouwd om aanvullende garanties te vereisen. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond verklaard.

De rechtbank wees erop dat eiser in Zwitserland zelf klachten kan indienen bij bevoegde instanties indien hij meent dat zijn rechten worden geschonden. Tevens is in het besluit vermeld dat medische gegevens met toestemming van eiser kunnen worden uitgewisseld en dat een 'fit to fly' onderzoek zal plaatsvinden voor overdracht.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50946

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1995 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 14 april 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 23 december 2024 in Zwitserland een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft daarom op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening [3] de Zwitserse autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Zwitserse autoriteiten hebben dit verzoek op 13 juni 2025 geaccepteerd op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
3. Eiser stelt in beroep dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Zwitserland onmenselijk is behandeld en geen effectieve bescherming genoot. Zo heeft hij verklaard dat hij door de Zwitserse autoriteiten is geslagen en vernederd. Ze dreigden hem zonder gehoor uit te zetten naar Turkije. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door deze verklaringen zonder nader onderzoek tegenstrijdig te achten, enkel omdat hij tijdens het eerste gehoor heeft gesproken over mishandeling in Turkije. Daarnaast neemt verweerder zonder individuele toets aan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen nakomt. Een individuele beoordeling is noodzakelijk wanneer sprake is van kwetsbare omstandigheden. Eiser heeft duidelijk gemaakt dat hij psychisch instabiel is en zijn trauma’s zijn verergerd door de behandeling in Zwitserland. Verweerder had dan ook moeten onderzoeken of Zwitserland concrete garanties kan bieden dat eiser toegang zal krijgen tot adequate medische zorg en opvang.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Zwitserland in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In zijn algemeenheid mag verweerder ten aanzien van Zwitserland uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling [4] van 24 januari 2025. [5] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser is hier niet in geslaagd.
5. Eiser heeft met zijn enkele stellingen niet aannemelijk gemaakt dat er ten aanzien van Zwitserland sprake is van systeemfouten in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen zoals bedoeld in het arrest Jawo. [6] Verder hebben de Zwitserse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat ze eisers aanvraag in behandeling zullen nemen met inachtneming van de Europese richtlijnen. Het ligt op de weg van eiser om in Zwitserland te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties, als hij vindt dat Zwitserland zijn verplichtingen niet nakomt. Niet is gebleken dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is.
6. In het Tarakhel-arrest heeft het Hof [7] overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015 [8] volgt dat het Tarakhel-arrest ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn, als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. De bewijslast dat er sprake is van deze bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. [9]
7. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat er geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid zoals volgt uit het arrest Tarakhel. De door eiser gestelde maar niet onderbouwde medische klachten zijn daartoe onvoldoende. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Zwitserland niet de benodigde zorg zal krijgen. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er dan ook van uitgaan dat de medische zorg en medicijnen die eiser stelt nodig te hebben in Zwitserland beschikbaar zijn. In het bestreden besluit is vermeld dat verweerder op grond van artikel 32 van Pro de Dublinverordening met toestemming van eiser zijn medische gegevens kan uitwisselen met de Zwitserse autoriteiten, waarmee zij voor de overdracht worden geïnformeerd over zijn medische behoeften. Ook zal voorafgaand aan de overdracht een ‘fit to fly’ onderzoek plaatsvinden.
8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 12 november 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Verordening (EU) nr. 604/2013.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ECLI:EU:C:2019:218.
7.Het Europees Hof voor de rechten van de mens.