ECLI:NL:RBDHA:2025:21510
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging ministerieel besluit weigering visum kort verblijf wegens onvoldoende motivering economische binding
Eiser verzocht op 9 januari 2024 om een visum kort verblijf om zijn vader te bezoeken, maar de minister weigerde dit op 18 januari 2024 vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Senegal. Na bezwaar en eerdere vernietiging van een besluit door de rechtbank, bleef de minister bij zijn standpunt in het bestreden besluit van 17 juni 2025. Eiser leverde in beroep aanvullende betalingsbewijzen aan ter onderbouwing van zijn economische binding, die de minister te laat en onvoldoende vond. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij twijfelt aan de economische binding en dat de minister bovendien onvoldoende rekening hield met eerdere visumverstrekkingen waarbij eiser tijdig terugkeerde.
De rechtbank stelt dat de minister een ruime beoordelingsruimte heeft, maar dat deze terughoudend moet worden getoetst. De rechtbank vindt dat eiser objectieve en verifieerbare documenten heeft overgelegd en dat het op de minister ligt om deze gegevens te verifiëren bij de werkgever. Tevens heeft de minister nagelaten om de gevolgen van het meerderjarig worden van eiser en de garantstelling van zijn vader voldoende te motiveren. Daarom is het beroep gegrond en wordt het besluit vernietigd. De minister krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen, waarbij deze uitspraak in acht wordt genomen.
De rechtbank veroordeelt de minister tevens tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van het visum wordt vernietigd.