Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21521

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
NL25.1531
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Richtlijn 2008/115Art. 5 Richtlijn 2008/115Artikel 6 VreemdelingenwetHoofdstuk 5 Annex 9 Verdrag van Chicago
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging aanvullend terugkeerbesluit wegens onuitvoerbaarheid na toelating tot Nederland

Eiser diende een asielaanvraag in die werd afgewezen, waarna een terugkeerbesluit werd vastgesteld met Turkije als land van terugkeer. Dit aanvullende terugkeerbesluit werd op 9 januari 2025 vastgesteld. De rechtbank beoordeelt uitsluitend de rechtmatigheid van dit besluit.

Ten tijde van het terugkeerbesluit was eiser in grensdetentie en Turkije verplicht op grond van het Verdrag van Chicago en Annex 9 om de terugkeer toe te staan. Na opheffing van de artikel 6 Vw Pro-maatregel en toelating tot Nederland is het Verdrag van Chicago niet langer van toepassing, waardoor Turkije niet langer als land van terugkeer kan worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat het terugkeerbesluit destijds rechtmatig was, maar inmiddels niet meer kan worden uitgevoerd.

De rechtbank vernietigt het aanvullend terugkeerbesluit omdat Turkije als land van terugkeer niet gehandhaafd kan blijven. Omdat het besluit niet onderdeel is van een verblijfsvergunningprocedure, wordt verweerder niet opgedragen een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het aanvullend terugkeerbesluit wordt vernietigd omdat Turkije niet langer als land van terugkeer kan worden aangemerkt na toelating van eiser tot Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1531

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1986, nationaliteit onbekend,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. E.J.L. van de Glind),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigden: mr. S. Aboulouafa en L. Verhaegh).

Procesverloop

Verweerder heeft op 9 januari 2025 een aanvullend terugkeerbesluit vastgesteld en in dit terugkeerbesluit Turkije als land van terugkeer aangemerkt.
Eiser heeft besluit beroep ingesteld tegen de vaststelling van het aanvullende terugkeerbesluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL25.1533).
Verweerder heeft op 22 oktober 2025 een verweerschrift uitgebracht.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De gemachtigde van verweerder heeft op 23 oktober 2025 na sluiting van het onderzoek verzocht om heropening omdat er geen rechtsgeldige oproeping voor en/of notificatie van de zitting door de rechtbank zou zijn verzonden.
De rechtbank heeft het onderzoek op 27 oktober 2025 heropend.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 7 november 2025 nogmaals ter zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Uit het door de rechtbank verrichte ‘ICT-onderzoek’ is gebleken dat de notificatie en de uitnodiging voor de zitting naar het mailadres zijn verzonden dat de gemachtigde in de communicatie met het CIV (zelf) heeft gebruikt. De rechtbank heeft dit ter zitting besproken en toegelicht dat na het uitroepen van de zaak op 23 oktober 2025 gedurende een half uur met zowel de gemachtigde als (medewerkers van) zijn kantoor telefonisch contact is gezocht en vervolgens het beroep en het verzoek zijn behandeld. Omdat het ICT-onderzoek niet aanstonds gereed was en omdat in het verweerschrift was vermeld dat eiser zich in grensdetentie bevond en eiser niet heeft aangegeven dat dit onjuist was, heeft de rechtbank de uitkomst van het ICT-onderzoek niet afgewacht maar ervoor gekozen om het onderzoek te heropenen om spoedig een nieuwe zitting te kunnen agenderen. Na de heropening en bepaling van de nieuwe zittingsdatum heeft verweerder stukken aan het dossier toegevoegd waaruit blijkt dat de maatregel als bedoeld in artikel 6 Vw Pro reeds op 23 juni 2025 was opgeheven. Kort voor de tweede behandeling ter zitting is gebleken dat het niet ontvangen van de notificatie van de aankondiging van de zitting is veroorzaakt door het gebruiken van een mailadres door de gemachtigde waarvan inkomende mails niet werden gelezen. De rechtbank heeft besloten om de zitting doorgang te laten vinden.
2. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
3. Eiser heeft op 27 augustus 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en daarbij in de meeromvattende beslissing een terugkeerbesluit vastgesteld en Egypte en Syrië als landen van terugkeer benoemd. De rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft bij uitspraak van 24 december 2024 het beroep gericht tegen deze afwijzing ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2024:23874). In rechtsoverweging 11.1 van deze uitspraak is overwogen dat verweerder tijdens de zitting Syrië als land van terugkeer heeft laten vallen vanwege het toen ten aanzien van Syrië geldende Besluit- en vertrekmoratorium. Het hoger beroep tegen deze uitspraak is door de Afdeling op 4 februari 2025 ongegrond verklaard. Eiser heeft op 22 mei 2025 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze opvolgende aanvraag op 29 mei 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft daags voor de (tweede) behandeling ter zitting een afschrift van het herzieningsverzoek dat is verzonden naar de rechtbank, zittingsplaats Den Haag, aan het dossier toegevoegd en tevens medegedeeld dat er twee beroepsprocedures lopen tegen herhaalde asielaanvragen.
4. De rechtbank beoordeelt in de onderhavige procedure uitsluitend de rechtmatigheid van het op 9 januari 2025 vastgestelde terugkeerbesluit, waartegen eiser op 10 januari 2025 beroep heeft ingesteld. In dit terugkeerbesluit is Turkije als land van terugkeer vastgesteld. Het is niet in geschil dat eiser via Turkije de Unie is ingereisd. Verweerder heeft Turkije als land van doorreis zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van richtlijn 2008/115 aangemerkt.
5. Verweerder heeft een zogenoemde ‘removal order’ uitgevaardigd tegen de luchtvaartmaatschappij die eiser vanuit Turkije naar Nederland heeft vervoerd. De argumenten die eiser heeft aangedragen om zijn beroepsgrond dat de removal order alleen ‘kan worden gebruikt’ zolang eiser zich in grensdetentie bevindt en niet is toegelaten slagen niet. De rechtbank komt om andere redenen tot het oordeel dat de beroepsgrond desondanks slaagt. Verweerder heeft aangegeven dat dit wel kan en dit te hebben nagevraagd bij ‘het grenskantoor’. De rechtbank overweegt echter het navolgende.
6. Verweerder heeft in zijn verweerschrift van 22 oktober 2025 het navolgende opgemerkt:
(…)
Verweerder wijst erop dat op 1 september 2024 een removal order is uitgebracht aan Pegasus Airline als bedoeld in hoofdstuk 5 van Annex 9 van het Verdrag van Chicago. Deze removal order houdt de verplichting in voor de luchtvaartmaatschappij waarmee eiser is aangekomen, in dit geval Pegasus Airlines, eiser buiten het Schengengebied te brengen als verweerder daarom vraagt. De removal order zal worden gebruikt om eiser terug te voeren naar luchthaven Sabiha Gokcen in Istanbul, Turkije.
Verweerder wijst verder erop dat uit artikel 5.12 van Annex 9 van het Verdrag van Chicago volgt dat een verdragsstaat, Turkije in dit geval, de persoon die is verwijderd uit een Staat waar hij ontoelaatbaar is bevonden, Nederland, die persoon accepteert voor verder onderzoek, zolang deze persoon zijn reis vanuit die Staat is begonnen.
(…)
7. De rechtbank overweegt dat in ditzelfde verweerschrift van 22 oktober 2025 is vermeld dat eiser op dat moment in grensdetentie werd gehouden. Deze informatie is, zoals hiervoor overwogen en ook uit de inmiddels overgelegde en op 23 juni 2025 opgemaakte M113 blijkt, onjuist.
8. Hoofdstuk 5 van Annex 9 van het zogenoemde ‘Verdrag van Chicago’ heeft als titel ‘Inadmissible Persons and deportees”.
In dit hoofdstuk is onder meer het navolgende bepaald:
(…)
5.5
Contracting States shall ensure that a removal order is issued to the aircraft operator in respect of a person found inadmissible. (…)
(…)
5.11
The aircraft operator shall remove the inadmissible person to:
a.
a) the point where he commenced his journey; or
b) to any place where he is admissible.
(…)
5.12
A Contracting State shall accept for examination a person removed from a State where he was found inadmissible, if this person commenced his journey from its territory. A Contracting State shall not return such a person to the country where he was earlier found inadmissible.
(…)
9. De rechtbank overweegt dat uit bovengenoemde bepalingen volgt dat de removal order alleen ‘kan worden gebruikt’ om een luchtvaartmaatschappij op te dragen om een niet toegelaten persoon te vervoeren. Eiser heeft weliswaar geen verblijfsvergunning, maar is na opheffing van de artikel 6 Vw Pro-maatregel wel toegelaten tot Nederland.
10. In artikel 3, derde lid, van richtlijn 2008/115 is het navolgende bepaald:
‘3. „terugkeer”: het proces waarbij een onderdaan van een derdeland, vrijwillig gevolg gevend aan een terugkeerverplichting of gedwongen, terugkeert naar:
-zijn land van herkomst, of
-een land van doorreis overeenkomstig communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen, of
- een ander derde land waarnaar de betrokken onderdaan van een derde land besluit vrijwillig terug te keren en waar deze wordt toegelaten;’
11. De rechtbank overweegt dat het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart, doorgaans ‘het Verdrag van Chicago’ genoemd, in beginsel kan worden aangemerkt als ‘een andere regeling’ als bedoeld in artikel 3, derde lid, van richtlijn 2008/115. Het Verdrag van Chicago is tot stand gekomen vanuit de wens dat de internationale burgerluchtvaart zich kan ontwikkelen op een veilige en ordelijke wijze en internationale luchtvervoersdiensten ingesteld kunnen worden op basis van gelijke kansen en geëxploiteerd kunnen worden op een gezonde en economische wijze, aldus de preambule. Het Verdrag bevat geen bepalingen over terugkeer en de verplichting om burgers vanuit de Verdragstaten terug te nemen. De terugkeer is geregeld in Annex 9 bij dit Verdrag. Zoals hiervoor overwogen zien de bepalingen over terugkeer alleen op de terugkeer van personen die niet zijn toegelaten tot de Verdragsstaat die de terugkeer wil gelasten.
12. Verweerder heeft in het terugkeerbesluit van 9 januari 2025 terecht vastgesteld dat eiser op dat moment geen rechtmatig verblijf in Nederland had. Verweerder is verplicht om bij de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115, en dus ook bij het vaststellen van een aanvullend terugkeerbesluit, rekening te houden met de in artikel 5 van Pro deze richtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Verweerder heeft aan deze verplichtingen voldaan. Verweerder heeft eiser hierover gehoord en in het aanvullende terugkeerbesluit is gemotiveerd waarom de gezondheid van eiser en het beginsel van non-refoulement niet in de weg staan aan het vaststellen van het terugkeerbesluit.
13. Verweerder kan een land van doorreis echter uitsluitend als land van terugkeer als bedoeld in richtlijn 2008/115 aanmerken als de terugkeer ook uit hoofde van ‘communautaire of bilaterale overnameovereenkomsten of andere regelingen’ zoals bepaald in artikel 3, derde lid, van deze richtlijn kan plaatsvinden. Op 1 september 2024 heeft verweerder een removal order uitgebracht aan de luchtvaartmaatschappij die eiser naar Nederland heeft vervoerd. In de removal order is vermeld dat ‘You are hereby informed that the following person has been refused entry to the Netherlands’. Ten tijde van het vaststellen van het terugkeerbesluit op 9 januari 2025 bevond eiser zich in grensdetentie en was hij dus niet toegelaten tot Nederland. Ten tijde van het vaststellen van het terugkeerbesluit was Turkije uit hoofde van het Verdrag van Chicago en Annex 9 behorende bij dit Verdrag verplicht om de terugkeer van eiser toe te staan en was de luchtvaartmaatschappij die eiser naar Nederland heeft vervoerd verplicht om eiser uit het Schengengebied te vervoeren.
14. Op het moment dat het terugkeerbesluit is vastgesteld, is aan alle vereisten uit hoofde van richtlijn 2008/115 voldaan. De rechtbank verricht bij het controleren van een terugkeerbesluit een ex nunc en zo nodig ambtshalve beoordeling van de rechtmatigheid van een terugkeerbesluit. De rechtbank overweegt dat uit het Unierecht volgt dat de rechter die de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit controleert, indien op het moment van de rechterlijke controle duidelijk is dat het terugkeerbesluit niet kan worden uitgevoerd, deze vaststelling bij de rechtmatigheidscontrole moet betrekken.
15. Een terugkeerbesluit behelst de vaststelling van illegaal verblijf. Door de vaststelling van illegaal verblijf ontstaat een terugkeerverplichting voor eiser en, indien eiser niet aan zijn verplichting binnen de mogelijk bepaalde termijn voor vrijwillig vertrek voldoet, een verplichting voor verweerder om eiser te verwijderen. Eiser kan voldoen aan zijn verplichting door het grondgebied van de Unie te verlaten, ongeacht naar welke derde land hij vertrekt. Verweerder kan eiser uitsluitend verwijderen naar het land van terugkeer dat in een terugkeerbesluit is genoemd en ten aanzien van welk derde land eiser zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Vanaf het moment dat de artikel 6 Vw Pro-maatregel is opgeheven en eiser is toegelaten tot Nederland, is het Verdrag van Chicago niet langer van toepassing. Dit betekent dat ten aanzien van eiser Turkije niet langer als land van terugkeer kan worden aangemerkt omdat Turkije geen verplichtingen op grond van het Verdrag van Chicago ten aanzien Nederland meer heeft als het gaat om de terugkeer van eiser. Voor zover verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat Turkije gelet op het Verdrag van Chicago verplicht is om eiser terug te nemen en het refoulementverbod te eerbiedigen, is dit dus onjuist.
16. De Uniewetgever heeft in richtlijn 2008/115 voorzien in gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven. De rechtbank overweegt dat ondanks dat eiser is gehoord over Turkije als land van terugkeer en ondanks dat verweerder aan zijn artikel 5 van Pro richtlijn 2008/115-verplichtingen heeft voldaan, verweerder eiser gelet op artikel 3, derde lid, van deze richtlijn, niet meer kan verwijderen naar Turkije. Turkije is partij bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, maar dit volstaat niet om een doorreisland als land van terugkeer in een terugkeerbesluit te benoemen en benoemd te houden. Dit betekent dat ondanks dat het terugkeerbesluit op 9 januari 2025 rechtmatig is vastgesteld, verweerder het terugkeerbesluit niet meer kan uitvoeren.
17. Verweerder heeft dit terugkeerbesluit aanvullend op een op 22 september 2024 en (vooralsnog) in rechte vaststaand terugkeerbesluit vastgesteld. Er is dus al vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft en daardoor is reeds een terugkeerverplichting ontstaan. Die terugkeerverplichting is weliswaar thans geschorst door het procedureel rechtmatig verblijf dat eiser ontleent aan zijn kennelijk lopende procedures, maar het op 9 januari 2025 vastgestelde terugkeerbesluit is uitsluitend een aanvullend terugkeerbesluit in die zin dat een ander derde land ook als land van terugkeer is benoemd. Omdat Turkije het land van doorreis is geweest, zal er geen situatie ontstaan waarin Turkije wederom als land van terugkeer kan worden aangemerkt. Om die reden zal de rechtbank het terugkeerbesluit vernietigen. Omdat het aanvullend vastgestelde terugkeerbesluit niet als onderdeel van een besluit op een aanvraag om een verblijfsvergunning is vastgesteld, zal de rechtbank verweerder niet opdragen om een nieuw besluit te nemen.
18. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank een proceskostenveroordeling uitspreken. De rechtbank hanteert hierbij de standaardmatig toegekende punten en bedragen.
19. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het op 5 januari 2025 vastgestelde terugkeerbesluit,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 14 november 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.