ECLI:NL:RBDHA:2025:21533

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 september 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
23/5068
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening omgevingsvergunning voor de bouw van een vrijstaande eengezinswoning in strijd met bestemmingsplan

Deze uitspraak betreft de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een vrijstaande eengezinswoning. Eiser betoogt dat het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, specifiek met betrekking tot de positie van de voorgevel van de woning. De rechtbank heeft op 3 september 2025 geoordeeld dat het college op juiste gronden de omgevingsvergunning heeft verleend en heeft het beroep van eiser ongegrond verklaard.

De aanvraag voor de omgevingsvergunning werd ingediend op 9 november 2022, en het college verleende de vergunning op 2 februari 2023. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar het college bleef bij zijn besluit. De rechtbank heeft de zaak op 11 juni 2025 behandeld, waarbij de gemachtigden van zowel eiser als het college aanwezig waren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de westgevel van de woning, die aan de openbare weg ligt, als voorgevel kan worden aangemerkt, ondanks dat de voordeur zich aan de zijkant bevindt.

Eiser heeft ook aangevoerd dat het bouwplan niet voldoet aan de beeldkwaliteitseisen, maar de rechtbank oordeelt dat dit geen invloed heeft op de beslissing, aangezien het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar gemaakt op 3 september 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/5068

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 september 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),
en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk,

(gemachtigde: [naam 1] ).
Als derde-partij nemen aan de zaak deel: [vergunninghouder 1] en [vergunninghouder 2] (vergunninghouders),
(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor de bouw van een vrijstaande eengezinswoning. Eiser is het niet eens met het besluit van het college. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. Eiser betoogt onder meer dat het college niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, gelet op de positie van de voorgevel van de woning. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het verlenen de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college op juiste gronden een omgevingsvergunning heeft verleend. Eisers krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 9 november 2022 hebben vergunninghouders een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning op de locatie [adres] ( [kavel] ) in [plaats] . Met het besluit van 2 februari 2023 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Met het bestreden besluit van 6 juli 2023 op het bezwaar van eiser is het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouders hebben ook schriftelijk gereageerd.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 3] en [naam 4] , en vergunninghouders, bijgestaan door hun gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
3.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 9 november 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Toetsingskader
4. Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk moet worden getoetst aan de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgronden. Dit artikel geeft een limitatief-imperatief stelsel weer. Dit betekent dat, indien één of meer van de weigeringsgronden uit artikel 2.10 van de Wabo zich voordoen, het college de vergunning moet weigeren. Als geen van de weigeringsgronden uit artikel 2.10 van de Wabo zich voordoen, moet de omgevingsvergunning worden verleend. Dan is sprake van een zogenoemde gebonden beschikking.
4.1.
Ter plaatse van het perceel geldt het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ”. Aan het perceel is, voor zover hier van belang, de bestemming “Wonen” toegekend.
4.2.
Artikel 8.2.1., onder a, van de regels van het bestemmingsplan bepaalt, voor zover hier van belang, dat hoofdgebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd met dien verstande dat: (1) er maximaal 1 hoofdgebouw per bouwvlak mag worden gebouwd en (2) ter plaatse van de aanduiding “gevellijn” de voorgevel van het hoofdgebouw evenwijdig aan de gevellijn moet worden gebouwd.
4.3.
In artikel 1 van de planregels staat de definitie van het begrip ‘voorgevel’:
“de gevel van een (bedrijfs)woning die naar aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling en oriëntatie als belangrijkste beeldbepalende gevel kan worden aangemerkt”.
4.4.
Op grond van artikel 1 van de planregels wordt onder gevellijn verstaan: een geometrisch bepaalde lijn en het verlengde daarvan, die bij het bouwen niet mag worden overschreden.
Is het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan?
5. Eiser betoogt dat het college ten onrechte de in de gevellijn beoogde gevel van het bouwplan – de westgevel – heeft aangemerkt als voorgevel. Die gevel voldoet niet aan de in het bestemmingsplan opgenomen definitie van een voorgevel. Dat geldt wel voor de noordgevel, die naar zijn aard, functie, uitstraling en oriëntatie de belangrijkste beeldbepalende gevel is. De rechtspraak waarnaar het college heeft verwezen is op geen enkele manier relevant voor de vraag of de westgevel als voorgevel kan worden aangemerkt. Die rechtspraak heeft namelijk betrekking op de vraag welke gevel de voorgevel is bij het bepalen van het achtererfgebied als bedoeld in bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bouwplan is daarom in strijd is met artikel 8.2.1., onder a, van de planregels. Het college heeft dit niet onderkend, aldus eiser.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de westgevel wel degelijk is aan te merken als voorgevel. De westgevel ligt aan de openbare weg – [straatnaam] – en komend vanaf de openbare weg rijdt men die gevel tegemoet. De woning is ook genummerd aan
[straatnaam] en daar komt de brievenbus. Dat de voordeur aan de zijkant is voorzien, in de noordgevel, doet er niet aan af dat de westgevel de meest zichtbare en bepalende gevel is vanuit de openbare ruimte. De uiterlijke verschijningsvorm van de westgevel is van voldoende glas voorzien en manifesteert zich als een wezenlijk onderdeel van de hoofdbouwmassa en niet als ‘blinde gevel’ of zijgevel. Volgens het college blijkt ook uit de indeling van de woning dat de westgevel de voorgevel is. Aan die zijde zijn de keuken en de eet-/zitkamer voorzien en die zijn daarmee georiënteerd op [straatnaam] .
5.2.
Eiser wijst er terecht op dat de omstandigheid dat de westgevel is voorzien op de op de plankaart aangeduide gevellijn niet doorslaggevend kan zijn voor de vaststelling dat de westgevel de voorgevel is. Wanneer het bouwplan er namelijk in zou voorzien dat de noordgevel op de gevellijn wordt gebouwd, zou die gevel in zoverre dezelfde kenmerken hebben als de westgevel. Ook volgt de rechtbank eiser in het standpunt dat door het college aangehaalde rechtspraak die betrekking heeft op het bepalen van het achtererfgebied als bedoeld in bijlage II bij het Bor niet relevant is voor de vraag of wordt voldaan aan het bestemmingsplan.
Ondanks het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de westgevel gelet op de aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling en oriëntatie als belangrijkste beeldbepalende gevel kan worden aangemerkt. De rechtbank onderschrijft het standpunt van het college dat het aantal gevelopeningen in de westgevel in combinatie met de oriëntatie van de keuken en de eet-/zitkamer op de openbare weg daarvoor bepalende kenmerken zijn. Dat de voordeur niet in de westgevel is voorzien geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat een voordeur in een zijgevel niet ongebruikelijk is. De positie van de voordeur is daarom niet doorslaggevend. Datzelfde geldt voor de door eiser naar voren gebrachte omstandigheid dat de noordgevel langer is dan de westgevel is. De rechtbank kan het college volgen in het standpunt dat de lengte van de noordgevel niet meebrengt dat dit ook de meest beeldbepalende gevel is.
5.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beeldkwaliteitsplan en belangen eiser
6. Eiser heeft naar voren gebracht dat het bouwplan, gelet op de nokrichting van de woning, niet in overeenstemming is met beeldkwaliteitseisen van het “ [document] ”. Dat vergunninghouders anders dan eiser niet zijn gehouden aan deze beeldkwaliteitseisen is volgens hem in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
6.1.
Niet in geschil is dat het startdocument geen onderdeel is van het bestemmingsplan en dat dit document alleen een rol zou kunnen spelen bij de afweging die moet worden gemaakt bij verlening van een omgevingsvergunning die voorziet in afwijking van het bestemmingsplan. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser niet rechtvaardig voelt dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor zijn woning nog wel werd getoetst aan het startdocument. Gelet op het limitatief-imperatieve karakter van artikel 2.10 van de Wabo kan dit verschil in toetsing van bouwplannen echter niet meebrengen dat de door vergunninghouders gevraagde omgevingsvergunning zou moeten worden geweigerd. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel kan daarom geen doel treffen. Omdat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan bestond er voor het college ook geen ruimte om de belangen van eiser bij behoud van uitzicht en privacy in de afweging te betrekken.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7.1.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van
mr. I. Ince, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 september 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.