ECLI:NL:RBDHA:2025:21557

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 oktober 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
25-28088
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 30b lid 1 onder h VwArt. 31 lid 6 onder b VwArt. 31 lid 6 onder c VwArt. 31 lid 6 onder d Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag uit Oezbekistan wegens onvoldoende bewijs en ongeloofwaardig verhaal

Eiser, van Oezbeekse nationaliteit, diende op 18 juni 2022 een asielaanvraag in die door de minister op 23 juni 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep op 1 oktober 2025 en oordeelde dat het beroep ongegrond is.

Eiser stelde dat hij vanwege het afbranden van zijn restaurant geen bewijsstukken kon overleggen en dat afspraken in Oezbekistan vaak mondeling worden gemaakt. De rechtbank volgde dit niet, omdat eiser onvoldoende aantoonde dat hij alles had gedaan om de gevraagde documenten te verkrijgen. De minister achtte het eerste deel van het asielrelaas geloofwaardig, maar het tweede deel, met name de problemen door schulden en bedreigingen, niet.

De rechtbank concludeerde dat het asielrelaas niet samenhangend en aannemelijk was en dat eiser zijn aanvraag niet tijdig had ingediend zonder goede verklaring. De afwijzing blijft daarom in stand en het beroep wordt ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.28088
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J.L.A.F. van Halteren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 18 juni 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Oezbeekse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [1985]. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 juni 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. De rechtbank heeft het beroep op 1 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft in Oezbekistan een lening van 50.000 dollar afgesloten met behulp van een oud klasgenoot die
werkzaam is bij de bank. Hiermee wilde eiser een restaurant bouwen en inrichten. Het restaurant is afgebrand en eiser heeft de lening niet meer kunnen terugbetalen. Eiser is zowel door de klasgenoot, als door de directeur van de bank als door diens beveiliging, bedreigd.
Ook is eiser een keer mishandeld door de beveiliging. Bij terugkeer naar Oezbekistan vreest eiser te zullen worden vermoord.
Het bestreden besluit
7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Problemen vanwege de lening voor het opstarten van eisers restaurant.
De minister stelt zich op het standpunt dat het eerste relevante element geloofwaardig is. Het tweede relevante element vindt de minister niet geloofwaardig. Hierbij heeft de minister betrokken dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd zonder hiervoor een goede verklaring te hebben. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel en heeft eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend, en heeft hij hiervoor geen goede verklaring. Ook vindt de minister dat eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Hiermee voldoet eiser niet aan de voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, onder b, c, d, en e, van de Vw. De minister concludeert dat de asielaanvraag van eiser kennelijk ongegrond is, op grond van artikel 30b, eerste lid, onder h, van de Vw.
Met betrekking tot de ingediende gronden
8. Op 19 juni 2025 heeft de minister een voornemen uitgebracht. Op 21 juni 2025 heeft eiser een zienswijze opgestuurd en heeft de minister een beschikking uitgebracht. Hierin was nog geen rekening gehouden met de zienswijze. Deze beschikking heeft de minister op dezelfde dag ingetrokken en vervangen door de bestreden beschikking waarbij wel rekening is gehouden met de zienswijze. De gemachtigde van eiser is in een telefonisch contact gewezen op deze vervangende beschikking.
9. Uit de gronden van beroep blijkt dat eiser geen kennis heeft genomen van de vervangende beschikking. Dit wordt ook niet betwist. De door eiser ingediende gronden zijn daarnaast een herhaling van de op 21 juni 2025 ingediende zienswijze.
10. De minister heeft in het vorenstaande aanleiding gezien de rechtbank te verzoeken het beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Omdat het hier gaat om een tijdig ingediend en gemotiveerd beroep dat zich richt tegen de afwijzing van de aanvraag, ziet de rechtbank geen grond voor de verzochte niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank wijst dit verzoek af.
11. Eiser heeft met de ingediende gronden niet duidelijk gemaakt waarom de in de bestreden beschikking gegeven reactie op de zienswijze onjuist is. De rechtbank gaat daarom enkel nog in op de gronden die op zitting nog nader zijn toegelicht.
De bewijsnood
12. Eiser beroept zich op bewijsnood. Eiser kan vanwege het afbranden van zijn restaurant geen bewijsstukken overleggen met betrekking tot zijn asielrelaas, nu de bewijsstukken met de brand verloren zijn gegaan. Daarbij worden afspraken in Oezbekistan, zeker in een kleine stad of dorp, vaak mondeling gedaan, hetgeen betekent dat er geen documentatie bestaat.
13. In het bestreden besluit is wat betreft bewijsnood onder meer het volgende overwogen:
“U beroept u op bewijsnood, omdat u over asielmotief 2 geen documenten zou kunnen krijgen. Dit wordt niet gevolgd, omdat in het voornemen meerdere voorbeelden zijn genoemd, maar u gaat onvoldoende in op de voorbeelden. Dat uw restaurant is afgebrand maakt niet dat daarmee ook alle documenten in het restaurant lagen én dat er nergens ander meer documenten zouden zijn. Zoals bij u thuis, bij contractpartijen of de overheid. Bewijsnood kan pas slagen als u kan aantonen dat u hier niet meer aan kan komen. Hoewel u zegt dat afspraken vaak mondeling gaan, betekent dit niet dat alles mondeling is gegaan. Zo bevestigt u ook dat u een papier hebt getekend. Ook over bestellingen zegt u zelf: het gebeurt vaak op die manier. Dat betekent dat het soms niet zo gaat, en daar zou u bewijs van kunnen en moeten opzoeken.
U wijst er op dat de tegenstrijdigheid geen tegenstrijdigheid is, maar gaat er aan voorbij dat het dus gaat om een kopie in uw restaurant. Dus zou het origineel bij de bank liggen en opvraagbaar moeten zijn. Dat is verwijtbaar niet overleggen van het document. Ook hier is geen bewijsnood.”
14. De minister kan worden gevolgd in het standpunt dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij er alles aan heeft gedaan om in het bezit te komen van de gevraagde documenten. Niet is gebleken dat eiser zich heeft ingespannen om navraag te doen naar documenten of informatie die zijn asielrelaas onderbouwen. De rechtbank verwijst daarbij naar voren vermelde overweging uit het bestreden besluit. Hetgeen eiser heeft aangevoerd is onvoldoende om bewijsnood aan te nemen, waarbij wordt opgemerkt dat de bewijslast ter zake bij eiser ligt.

Conclusie en gevolgen

15. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 oktober 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.