Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21579

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
NL25.53593
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring wegens nalatigheid bij uitvoering strafrechtelijke vrijheidsontneming

Eiser is op 1 november 2025 in bewaring gesteld op grond van de asielgrond, terwijl er openstaande strafrechtelijke vrijheidsontnemingen van in totaal 18 dagen waren die eerst uitgevoerd hadden moeten worden. Verweerder had op basis van een uittreksel uit de justitiële documentatie het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) moeten raadplegen om deze openstaande straffen te laten uitvoeren, maar heeft dit nagelaten.

Tijdens de tenuitvoerlegging van de bewaring werden meerdere executieverzoeken van het CJIB ontvangen, maar de maatregel werd pas op 10 november 2025 opgeheven, waarna de strafrechtelijke detentie is uitgevoerd. Gedurende de bewaring zijn geen activiteiten verricht die verband hielden met het doel van de maatregel, namelijk het verkrijgen van gegevens voor een verblijfsvergunning.

De rechtbank oordeelt dat de bewaring onrechtmatig was omdat de strafrechtelijke vrijheidsontneming voorrang had moeten krijgen en de maatregel van aanvang af niet heeft gediend tot het beoogde doel. Daarom kent de rechtbank een schadevergoeding van € 1.000 toe en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser. Het verzoek tot vrijlating wordt afgewezen omdat de huidige vrijheidsontneming geen bewaring betreft.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en kent een schadevergoeding van € 1.000 toe wegens onrechtmatige bewaring.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53593

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1984, Poolse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: L. Verhaegh).

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 1 november 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de oplegging van de maatregel, welk beroep tevens wordt aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft de maatregel op 10 november 2025 opgeheven. In de M113 is vermeld dat de maatregel is opgeheven in verband met de tenuitvoerlegging van een straf met een duur van 8 dagen.
Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Aansluitend aan de behandeling ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
Eiser heeft de rechtbank op 12 november 2025 verzocht om het onderzoek te heropenen en heeft een aanvullend standpunt ingenomen over de rechtmatigheid van de maatregel, gebaseerd op informatie die zich niet in het dossier bevond ten tijde van het onderzoek ter zitting.
De rechtbank heeft het verzoek om heroverweging op 13 november 2025 toegewezen en verweerder in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door eiser aangedragen informatie en het ingenomen standpunt.
Verweerder heeft op 14 november 2025 van de door de rechtbank geboden mogelijkheid gebruik gemaakt.
De rechtbank heeft het onderzoek na ontvangst van de reactie van verweerder gesloten.

Overwegingen

1. Omdat de te thans te controleren bewaringsmaatregel is opgeheven, is de vraag of de rechtbank eiser in vrijheid moet stellen niet aan de orde en beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Verweerder heeft om het onttrekkingsrisico te onderbouwen 3 zogenoemde zware gronden en 3 zogenoemde lichte gronden opgevoerd.
3. Eiser voert aan dat in plaats van dat aan hem op 1 november 2025 de bewaringsmaatregel is opgelegd, de openstaande gevangenisstraf ten uitvoer had moeten worden gelegd.
4. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
5. Eiser is op 22 oktober 2025 overgenomen aansluitend aan strafrechtelijke heenzending. Het strafrechtelijk voortraject is afgedaan met een boete. Eiser is na overname uit de strafrechtketen opgehouden en in bewaring gesteld om de terugkeer naar Polen te verzekeren. Aan die maatregel lag een beschikking van 30 juli 2025 ten grondslag waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf op grond van het Unierecht heeft. Verweerder heeft op 23 oktober 2025 na online bevraging een op 23 oktober 2025 gedateerd uittreksel uit de justitiële documentatie van eiser verkregen. Uit dit uittreksel blijkt dat eiser is gedagvaard in verband met een verdenking van het plegen van strafbare feiten op 6 mei 2025 en in verband met een verdenking van het begaan van overtredingen op meerdere data. Tevens blijkt dat er meerdere niet onherroepelijke zaken betreffende overtredingen in het uittreksel justitiële documentatie zijn geregistreerd met vijf keer twee dagen hechtenis die op 23 oktober 2025 niet zijn geëxecuteerd. Verweerder heeft op 23 oktober 2025 de Vris-officier verzocht om aan te geven of er bezwaar bestaat tegen de uitzetting vanuit vreemdelingenbewaring.
6. Eiser heeft in het vertrekgesprek dat op 28 oktober 2025 heeft plaatsgevonden verklaard dat hij problemen heeft in Polen. Op 30 oktober 2025 heeft eiser aangegeven dat hij een asielaanvraag wil indienen. Op 1 november 2025 is de op 22 oktober 2025 opgelegde maatregel opgeheven. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep tegen die maatregel bij uitspraak van 10 november 2025 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBLIM:2025:11084, niet gepubliceerd).
7. Op 1 november 2025 is eiser gehoord in verband met een mogelijk nieuw op te leggen maatregel. Op 1 november 2025 is de maatregel op de zogenoemde ‘asielgrond’ opgelegd. In de onderhavige procedure controleert de rechtbank de maatregel die op 1 november 2025 is opgelegd.
8. Op 10 november 2025 is de maatregel opgeheven. In de M113 is vermeld dat de reden voor de opheffing een strafrechtelijke detentie is omdat betrokkene een openstaand vonnis van totaal 8 dagen heeft. Uit de inmiddels door de heropening verkregen informatie blijkt dat een gevangenisstraf/hechtenis van 18 dagen ten uitvoer moet worden gelegd. Verweerder heeft nadere stukken overgelegd om dit te onderbouwen.
9. De rechtbank overweegt dat verweerder op 23 oktober 2025 een uittreksel uit de justitiële documentatie heeft opgevraagd omdat in verband met de voorgaande maatregel moest worden nagegaan of het OM bezwaar had tegen de verwijdering van eiser naar Polen. Op het moment dat verweerder dit uittreksel heeft verkregen was verweerder ook op de hoogte dat mogelijk sprake was dat vervangende hechtenis die moest worden geëxecuteerd. De rechtbank overweegt dat verweerder hierin aanleiding had moeten zien om het CJIB te verzoeken om een executie-beslissing. Verweerder heeft dit niet gedaan.
10. De rechtbank stelt vast dat uit de door verweerder overgelegde stukken blijkt dat DTC Rotterdam op 5 november 2025 meerdere brieven van de algemeen directeur van het CJIB heeft ontvangen waarin is verzocht is om ‘aansluitende executie’ van 8 dagen hechtenis, opgelegd door de politierechter, en waarin is vermeld hoeveel dagen hechtenis overigens uit hoofde van andere vonnissen van de kantonrechter ‘open staan’.
11. Zoals hiervoor overwogen had verweerder, naar het oordeel van de rechtbank, op grond van het uittreksel uit de justitiële documentatie gedurende de tenuitvoerlegging van de voorgaande maatregel reeds contact moeten opnemen met het CJIB. Ook indien verweerder niet gehouden zou zijn om uit eigen beweging na te gaan of er openstaande straffen of maatregelen zijn, had verweerder in ieder geval na het ontvangen van bovengenoemde brieven de maatregel meteen moeten opheffen om de openstaande periodes van hechtenis uit te kunnen laten voeren. Het DTC dient immers te voldoen aan dergelijke verzoeken van het CJIB. Dat het CJIB heeft verzocht om ‘aansluitende executie’ ontslaat verweerder niet van zijn verplichtingen. Verweerder weet namelijk (wél) dat het strafrechtelijk voortraject zoveel mogelijk moet zijn afgerond voordat de overdracht aan de vreemdelingenketen plaatsvindt en dat indien reeds een bewaringsmaatregel wordt uitgevoerd, deze zo spoedig moet worden opgeheven en niet moet worden gewacht totdat de straf/hechtenis ‘aansluitend’ kan worden ten uitvoer gelegd. Verweerder heeft niet uitgelegd waarom het CJIB niet is benaderd zodra kennis is genomen van het op het 23 oktober 2025 verkregen uittreksel uit de justitiële documentatie en verweerder heeft ook niet uitgelegd waarom de maatregel pas op 10 november 2025 wordt opgeheven, terwijl het DTC op 5 november 2025 een executie-verzoek ontvangt.
12. Verweerder had kunnen voorkomen dat de thans te toetsen maatregel zou moeten worden opgeheven en onderbroken om een strafrechtelijke vrijheidsontneming voorrang te kunnen geven. De maatregel is opgelegd op de zogenoemde asielgrondslag en verweerder was voornemens om eiser op 10 november 2025 te horen over zijn asielmotieven. Op 10 november 2025 is de maatregel opgeheven. Verweerder heeft in reactie op de in het verzoek om heropening aangedragen documenten aangegeven dat eiser niet onmiddellijk na opheffing van de maatregel is overgebracht naar PI Ter Apel maar dat de vrijheidsontneming die heeft voortgeduurd terwijl eiser in het DTC is gehouden, een strafrechtelijk karakter heeft. Hoewel op de website van de DJI is vermeld dat de PI Ter Apel de enige VRIS-gevangenis van Nederland is, zal de rechtbank uitgaan van de door verweerder gegeven toelichting. Uit het dossier blijkt niet dat eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven. Indien verweerder voortvarender had gehandeld door meteen na raadpleging van het uittreksel uit de justitiële documentatie op het moment dat eiser op een andere grondslag in bewaring werd gehouden, die maatregel op te heffen, had verweerder, indien na de strafrechtelijke vrijheidsontneming de maatregel op de asielgrond noodzakelijk, proportioneel en evenredig achtte, de asielprocedure ook daadwerkelijk ter hand kunnen nemen. Eiser is op 1 november 2025 in bewaring gesteld op de asielgrond en deze maatregel is op 10 november 2025 opgeheven. De rechtbank kan niet vaststellen dat gedurende de tenuitvoerlegging van de maatregel handelingen zijn verricht om de asielprocedure uit te voeren. Verweerder is aan het uitvoeren van de asielprocedure niet toegekomen omdat maatregel moest worden opgeven vanwege de strafrechtelijke executie-beslissing. De maatregel die op de asielgrond is opgelegd heeft dus in het geheel niet gestrekt tot het dienen van het doel, namelijk het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de
beoordeling van de aanvraag voor een verblijfsvergunning die eiser heeft ingediend. De rechtbank moet dan ook concluderen dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd omdat eerst de vrijheidsontnemende maatregelen op een strafrechtelijke grondslag hadden moeten worden uitgevoerd en de rechtbank moet concluderen dat de maatregel de gehele periode van tenuitvoerlegging onrechtmatig heeft voortgeduurd omdat er geen handelingen zijn verricht die zien op het verkrijgen van de benodigde gegevens en dit ook gedurende deze maatregel niet meer mogelijk was door de strafonderbreking. Als verweerder voldoende voortvarend zou hebben gehandeld, was voorkomen dat eiser van 1 november 2025 tot de opheffing op 10 november 2025 ‘voor niets’ in bewaring werd gehouden omdat dit niet heeft gestrekt tot het bereiken van het doel van de maatregel.
13. De maatregel is van aanvang af onrechtmatig geweest. De rechtbank acht het niet opportuun om de overige rechtmatigheidsaspecten te beoordelen. Aan de vrijheidsontneming die eiser thans ondergaat ligt geen bewaringsmaatregel ten grondslag. De rechtbank kan eiser daarom niet in vrijheid stellen en brengt eiser alleen in aanmerking voor schadevergoeding.
14. De rechtbank kent schadevergoeding toe voor de periode dat de maatregel ten uitvoer is gelegd en tot aan de opheffing van de maatregel. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van de standaardmatig toegekende bedragen en bepaalt de hoogte van de schadevergoeding op een bedrag van € 1.000,-.
15. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en zal daarom een proceskostenveroordeling uitspreken en daarbij de standaardmatig toegekende punten en bedragen hanteren.
16. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000,00, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.B.J. Schreijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 17 november 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.