Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21586

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
24/12626
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:57 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intrekking bestreden ROV-maatregel

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen een ROV-maatregel waarbij één week leefgeld werd ingehouden. Het bestuursorgaan trok het bestreden besluit op 29 augustus 2024 in, waardoor de inhouding van het leefgeld kwam te vervallen.

Eiser handhaafde het beroep en verzocht om een proceskostenvergoeding. De rechtbank stelde partijen in de gelegenheid om te reageren op een zittingsverzoek, maar er werd niet gereageerd. Vervolgens werd het onderzoek gesloten op grond van artikel 8:57 Awb Pro.

Omdat het bestreden besluit was ingetrokken, ontbrak het procesbelang voor een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat het beroep niet door een professionele rechtsbijstandverlener was ingesteld en er geen andere vergoedbare kosten waren aangetoond.

Het griffierecht werd vastgesteld op nihil, zodat ook geen vergoeding daarvan werd toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter M.M. Meijers en griffier M.J.J. Roks op 21 november 2025.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens intrekking van het bestreden besluit en het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/12626

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de oplegging van een ROV-maatregel 1.
1.1
Met het besluit van 12 juli 2024 (bestreden besluit) heeft verweerder een ROV-maatregel 1 opgelegd aan eiser, strekkende tot inhouding van één week leefgeld.
1.2
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.3
Verweerder heeft op 29 augustus 2024 schriftelijk medegedeeld aan eiser dat het bestreden besluit wordt ingetrokken.
1.4
Eiser heeft zijn beroep gehandhaafd, althans niet ingetrokken, en heeft de rechtbank verzocht om verweerder in de proceskosten te veroordelen.
1.5
De rechtbank heeft partijen bij brief van 3 juni 2025 in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren of zij op een zitting over deze zaak willen worden gehoord.
1.6
Partijen hebben geen reactie uitgebracht naar aanleiding van deze brief.
1.7
De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep van eiser ontvankelijk?
2. Omdat het bestreden besluit is ingetrokken en daarmee de inhouding van het leefgeld is komen te vervallen, zoals eiser wenste, is verweerder in zoverre aan het beroep van eiser tegemoetgekomen. Eiser heeft dan ook geen procesbelang meer bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden. Het beroep dient om die reden niet-ontvankelijk verklaard te worden.
Proceskostenvergoeding
3. Voor vergoeding van de proceskosten bestaat in dit geval geen aanleiding. Dit beroep is namelijk niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent.
3.1
Als eiser kosten heeft gemaakt voor juridische advisering bij het opstellen van het beroepschrift en daarna alsnog zelf beroep heeft ingesteld, zijn dat kosten die niet voor vergoeding in aanmerking komen. Alleen als een gemachtigde, zoals een advocaat of een andere professionele rechtsbijstandsverlener, namens eiser beroep heeft ingesteld, kan dat een reden zijn om een proceskostenvergoeding toe te kennen. Dat is hier niet het geval.
3.2
Niet gebleken of onderbouwd is dat eiser voor deze procedure andere vergoedbare proceskosten heeft gemaakt, zoals bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht 2025.
3.3
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling daarom af.
Griffierecht
4. Tot slot is de hoogte van het griffierecht voor deze zaak vastgesteld op nihil. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor een vergoeding van het griffierecht op grond van artikel 8:41, zevende of achtste lid van de Awb.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak staat hierboven vermeld met een stempel.