ECLI:NL:RBDHA:2025:21600

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
NL25.54057
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Algerijnse vreemdeling tegen het besluit van 1 november 2025 waarbij aan hem de maatregel van bewaring werd opgelegd. De maatregel werd opgelegd vanwege het ontbreken van een geldig paspoort of visum, het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser betwistte alle gronden voor de maatregel, maar de rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en voldoende grond bieden voor de bewaring. De ambtshalve toetsing leidde eveneens niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig was.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54057

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Alam-Khan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling van de zaak. Eiser heeft bij het inleidend beroepschrift de gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 12 november 2025 een verweerschrift ingediend. Op 17 november 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1998 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [2] en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
En als lichte gronden [4] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle zware en lichte gronden en stelt dat daarom de maatregel van bewaring onredelijk is.
4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [5] volgt dat verweerder bij – onder meer de zware gronden 3a en 3b – kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [6] De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt immers niet over een paspoort of een voor Nederland geldig visum en hij is volgens zijn verklaringen eerder op een niet voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen. [7] Verder heeft hij geen melding gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf. Deze zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring dragen.
5. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 17 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verordening (EU) nr. 604/2013.
3.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
4.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7.Proces-verbaal van gehoor van 1 november 2025, p. 4 van 10.