ECLI:NL:RBDHA:2025:21639

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
NL24.51973 NL24.51980 NL24.51979
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvragen van Georgische eisers wegens geloofwaardigheid en eerwraak

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvragen van drie Georgische eisers, die op 11 oktober 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd hebben ingediend. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvragen op 5 december 2024 afgewezen als ongegrond. De eisers, die van Georgische nationaliteit zijn, voeren aan dat zij vrezen voor vervolging in verband met eerwraak en andere persoonlijke omstandigheden. De rechtbank heeft de beroepen op 15 augustus 2025 behandeld, waarbij eisers en hun gemachtigde aanwezig waren, evenals een tolk. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser 1 over zijn naam en de bijbehorende problemen niet geloofwaardig zijn. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten en draagt de minister op om binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de eisers.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.51973, NL24.51980 en NL24.51979
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1], V-nummer: [V-nummer] , eiser 1
[eiseres] ,V-nummer: [V-nummer] , eiseres
[eiser 2], V-nummer: [V-nummer] , eiser 2 hierna samen: eisers
(gemachtigde: mr. R.S. Frickus), en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: J.A.C.M. Prins).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eisers hebben op 11 oktober 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 5 december 2024 afgewezen als ongegrond.
4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
5. De rechtbank heeft de beroepen op 15 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, M. Abashidze als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
6. Eisers stellen van Georgische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op respectievelijk [geboortedatum 1] 1962, [geboortedatum 2] 1988 en [geboortedatum 3] 2004. Eiser 1 en eiseres zijn echtgenoten. Eiser 2 is de zoon van eiser 1 en eiseres. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. In 1996 is eiser 1 beschuldigd van het hebben van een buitenechtelijke relatie. Naar aanleiding van deze beschuldiging heeft hij te maken gehad met bevragingen, achtervolgingen en aanslagen op zijn leven door [persoon1] en anderen. De politie heeft een speciale operatie opgezet waarbij [persoon1] en zijn neef zijn overleden. Dat [persoon1] is komen te overlijden wordt eiser 1 kwalijk genomen. Eiser 1 heeft documenten en geluidsopnamen overgelegd waaruit volgt dat [persoon2] bij deze kwestie betrokken is. Hij heeft verder verklaard dat hij, naast zijn officiële naam, in Georgië ook als [persoon2] bekend staat. In 2023 werd eiser 2 meerderjarig. Hierna werd hij ook achtervolgd. Naar aanleiding hiervan besloten eisers om Georgië te verlaten. Daarnaast heeft eiser 1 verklaard dat hij is bekeerd van de islam tot het christendom. Eisers 1 en 2 stellen te vrezen voor de familieleden van [persoon1] . Eiseres stelt geen vrees te hebben voor terugkeer naar Georgië, maar vreest bij terugkeer voor haar man en zoon.

De bestreden besluiten

7. Het asielrelaas van eiser 1 bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Verklaring dat eiser [persoon2] heeft geheten;
(3) De achtervolging van eisers zoon vanwege eisers problemen na een eerwraakkwestie;
(4) Bekering tot het christendom.
Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister het volgende asielmotief:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst.
Het asielrelaas van eiser 2 bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
(1) Identiteit, nationaliteit en herkomst;
(2) Eisers achtervolging door de familieclan in verband met de eerwraakkwestie van eisers vader.
8. Ten aanzien van eiser 1 heeft de minister het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. De minister vindt het niet geloofwaardig dat eiser ook [persoon2] heet. Hierbij heeft de minister betrokken dat de verklaringen van eiser 1 niet zijn onderbouwd met objectieve documenten en dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook de achtervolging van de zoon van eiser 1 vanwege eisers problemen na de eerwraakkwestie vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser 1 heeft onvoldoende documenten overgelegd zonder daarvoor een goede verklaring te hebben en de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De geloofwaardigheid met betrekking tot het vierde asielmotief laat de minister in het midden, nu het op voorhand duidelijk is dat de verklaringen hieromtrent nooit zwaarwegend genoeg zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging.
9. Ten aanzien van eiseres is de minister van oordeel dat het asielmotief weliswaar geloofwaardig is, maar dat het enkele feit dat zij afkomstig is uit Georgië onvoldoende is om als vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag te worden aangemerkt of om een risico op ernstige schade aan te nemen.
10. Ten aanzien van eiser 2 heeft de minister het eerste asielmotief geloofwaardig geacht. De minister vindt het niet geloofwaardig dat eiser 2 achtervolgd is door de familieclan in verband met de eerwraakkwestie van zijn vader. Hierbij heeft de minister betrokken dat eiser 2 zijn verklaringen niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die het asielmotief volledig onderbouwen. Daarnaast vormen de verklaringen van eiser 2 geen samenhangend en aannemelijk geheel.
11. De minister concludeert dat de asielaanvragen ongegrond zijn en dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b van de Vw. Ook heeft de minister aan eisers een terugkeerbesluit op gelegd.
De naam van eiser 1
12. Eisers voeren aan dat eiser 1 ook de naam [persoon2] draagt. Het is gebruikelijk bij het Kist-volk dat er clannamen/familienamen worden gebruikt die anders zijn dan de echte, formele namen. Georgische autoriteiten gebruiken alleen officiële, formele namen. Het is dus logisch dat eiser 1 geen documenten kan overleggen met de bevestiging van zijn clannaam/familienaam. Eisers verwijzen hierbij naar een rapport van de Deense immigratiedienst waaruit volgt dat het Kist-volk gebruik maakt van informele structuren (
Georgia: The Situation of the Kist Community and the Chechens, Joint report by the Danish Immigration Service and the Danish Refugee Council, 7 november 2018, pagina 16 en 17).
13. De rechtbank overweegt als volgt over de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief van eiser. Naar aanleiding van de verklaringen van eiser 1 in het aanmeldgehoor van 29 oktober 2024 en het nader gehoor van 18 november 2024, heeft eiser correcties en aanvullingen ingediend op 14 november 2024 en 19 november 2024. Ook heeft eiser op 21 november 2024 een zienswijze, en op 16 januari 2025 beroepsgronden ingediend. In deze stukken zijn verschillende verklaringen gegeven voor de twee verschillende namen die eiser 1 zou dragen. In de correcties en aanvullingen van 14 november 2024 (pagina 1) is gesteld dat eiser 1 is verbannen uit zijn dorp en daarom de naam van zijn moeder draagt. In de beroepsgronden voeren eisers aan dat de naam [persoon2] een clannaam is, en dat het hebben van een clannaam gebruikelijk is voor het Kist-volk. Deze toelichtingen verschillen inhoudelijk van elkaar. Daarnaast zijn er in de overgelegde landeninformatie geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling dat het Kist-volk gebruik maakt van clannamen. De rechtbank richt zich daarom voornamelijk op de eigen verklaringen van eiser 1 in de gehoren en wat eiser 1 op de zitting heeft verklaard.
14. Tijdens het nader gehoor (pagina 5) heeft eiser 1 het volgende verklaard over zijn naam:

De grootste clan Tsjetsjenen die in Georgië wonen zijn [persoon2] . Dat is ook mijn familienaam bij geboorte. Het is de achternaam van mijn vader. Tussen mijnetniciteitsgenoten ben ik bekend als [persoon2] met de voornaam [persoon2] . Het is gebruikelijk voor de Kisten dat er twee voornamen zijn, een officiële en een roepnaam”.
Op de zitting heeft eiser 1 de volgende uitleg gegeven over zijn naam:

Toen ik geboren werd, waren mijn ouders voor de wet nog niet getrouwd. Mijn moeder gaf mij haar achternaam, terwijl mijn vaders achternaam [persoon2] is. Geen sprake van wijziging van de naam, ik heb dus twee achternamen”.
Ook verklaarde eiser 1 op de zitting, over zijn voornaam het volgende:

Mijn officiële achternaam is [eiser 1] , zoals mijn moeder. Mijn moeder koos destijds ook mijn voornaam, [eiser 1] . Omdat ik voor de samenleving, in de kring waarin ik opgroeide, bekend was als zoon van [persoon2] , noemden ze mij ook, als extra naam, [persoon2] ”.
Hierbij heeft de tolk verduidelijkt dat de naam
[persoon2]een roepnaam is, en dat de naam
[eiser 1]de officiële voornaam is van eiser 1.
15. Op de zitting hebben eisers een onvertaalde kopie van de geboorteakte van eiser 1 overgelegd. De tolk heeft een deel van dit document op de zitting vertaald. Uit deze vertaling is gebleken dat alleen de volledige naam van de moeder van eiser 1, [naam 1] (fonetisch) [eiser 1] , op de geboorteakte vermeld staat. Van de vader van eiser 1 wordt enkel de voornaam genoemd: [naam 2] . Deze voornaam komt ook terug op het door eisers op 21 juli 2025 overgelegde document van het Georgische Ministerie van Binnenlandse Zaken van 16 juni 2025. In dit document is de volgende informatie omtrent eiser 1 opgenomen: “
Given name, surname: [eiser 1] patronymic [naam 2] [eiser 1].”
16. Uit de onder rechtsoverweging 14 genoemde verklaringen van eiser 1 blijkt dat hij consistent heeft verklaard over de herkomst van de twee naast elkaar bestaande namen waar hij onder bekend staat. De verklaringen van eiser 1 over zijn naam ziet de rechtbank in samenhang met de consistente verklaringen van eiser 1 en eiseres in hun gehoren. De asielrelazen van eiser 1 en eiseres zijn gedetailleerd, komen inhoudelijk grotendeels overeen en vertellen het asielrelaas ieder vanuit het eigen perspectief. Dit oordeel over de relazen van eiser 1 en eiseres betrekt de rechtbank bij haar beoordeling van het betoog van eiser 1 over zijn naam. De omstandigheid dat eiser in het verhoor met de AVIM heeft verklaard [eiser 1] te heten en niet bij een andere naam wordt genoemd, is voor de rechtbank niet doorslaggevend. De documenten die op 21 juli 2025 zijn overgelegd en de geboorteakte die op zitting is vertaald bevatten geen positieve bevestiging van de achternaam [persoon2] van eiser 1 of zijn vader. Wat in die documenten wel overeenkomt is de voornaam [naam 2] van eisers vader.
17. Gelet op wat onder de punten 14 tot en met 16 is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser 1 dat hij ook bekend staat onder de naam [persoon2] , geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Omdat deze verklaringen een essentieel onderdeel van eisers asielrelaas vormen, is, in het verlengde daarvan, ook onvoldoende gemotiveerd waarom de gestelde problemen van eiser en zijn zoon niet geloofwaardig zijn. Dit betekent dat de bestreden besluiten een motiveringsgebrek bevatten. De minister zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen. Hierbij moet de minister in ieder geval de door eisers op 21 juli 2025 overgelegde documenten en de ter zitting overgelegde geboorteakte onderzoeken en betrekken bij de beoordeling.
18. De beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres en eiser 2 is afhankelijk van de beoordeling van de geloofwaardigheid van de het asielrelaas van eiser 1. De rechtbank is van oordeel dat de minister ook de asielaanvragen van eiseres en eiser 2 opnieuw moet beoordelen.
De bekering tot het christendom
19. Op de zitting is ook het vierde asielmotief van eiser 1 aan de orde gekomen. Over dit asielmotief zijn geen gronden ingediend. Op grond van wat verklaard is door eisers en de overgelegde stukken, vindt de rechtbank het niet aannemelijk dat de bekering een reden was voor eisers om Georgië te verlaten. Eiser 1 heeft namelijk tijdens het nader gehoor (pagina 20) verklaard geen directe vrees te hebben vanwege zijn bekering. De minister heeft daarom terecht geoordeeld dat een geloofwaardigheidsbeoordeling van dit element niet tot een gunstigere uitkomst zal leiden, omdat de bekering geen aanknopingspunten heeft met het vertrek van eiser 1 uit zijn land van herkomst. Dit element hoeft de minister dan ook niet te betrekken bij de nieuwe beoordeling.

Conclusie en gevolgen

20. De minister heeft de aanvragen ten onrechte afgewezen als ongegrond. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met het motiveringsbeginsel neergelegd in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten.
21. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, dat de minister nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
22. Omdat de beroepen gegrond zijn krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Er is sprake van samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten van 5 december 2024;
  • draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze
uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 november 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.