ECLI:NL:RBDHA:2025:21658
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Staat hoeft tenuitvoerlegging gevangenisstraf niet op te schorten in afwachting gratieverzoek
Eiser is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 43 maanden wegens overtreding van de Opiumwet. Hij verzocht om gratie en opschorting van de strafuitvoering zolang op dat verzoek niet is beslist, onderbouwd met ernstige gezondheidsproblemen en een schrijnende gezinssituatie. De minister wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was dat het gratieverzoek hoogstwaarschijnlijk zou worden ingewilligd.
Eiser vroeg vervolgens de rechter om de tenuitvoerlegging te schorsen of strafonderbreking toe te kennen op grond van zijn gezondheid en gezinssituatie. De voorzieningenrechter oordeelde dat de minister een ruime beleidsvrijheid heeft bij het al dan niet opschorten van de strafuitvoering en dat de afwijzing redelijk was. Voor strafonderbreking moet een aparte procedure worden gevolgd, waarvoor eiser niet-ontvankelijk werd verklaard.
De rechter benadrukte dat de tenuitvoerlegging van een onherroepelijke strafveroordeling in beginsel moet plaatsvinden, tenzij een wettelijk voorschrift anders bepaalt. Eiser kan nog een nieuw verzoek tot strafonderbreking indienen en beroep instellen bij de RSJ als dat wordt afgewezen. De proceskosten worden aan eiser opgelegd.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot opschorting van de gevangenisstraf af en verklaart eiser niet-ontvankelijk in overige vorderingen.