Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
NL25.53791
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van maatregel bewaring bij asielaanvraag wegens risico op onttrekking

Eiser, een Libische asielzoeker geboren in 2006, werd op 31 oktober 2025 de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser betwistte de grondslag van deze maatregel en stelde dat hij consistent was in zijn identiteit en geen risico liep op onttrekking, en dat een lichter middel passend zou zijn gezien zijn mentale en fysieke gesteldheid.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel terecht was gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet. Verweerder mocht aannemen dat eiser illegaal Nederland was binnengekomen en zich met onbekende bestemming had verwijderd, wat een reëel risico op onttrekking oplevert. De rechtbank vond dat de zware gronden 3a en 3b feitelijk juist waren en voldoende om de bewaring te dragen.

Verder werd overwogen dat het verzoek om toepassing van een lichter middel niet slaagde, omdat de medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij en er geen omstandigheden waren die detentie onredelijk bezwarend maakten. De ambtshalve toets leidde niet tot een oordeel van onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.53791

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. C. Chen)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is, met behulp van een videoverbinding, verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2006 en de Libische nationaliteit te hebben.
Grondslag van de maatregel
2. Eiser voert aan dat de grondslag van de maatregel van bewaring onjuist is. Hij is niet in het bezit van documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en is hij altijd consistent geweest in zijn verklaringen over zijn identiteit. Verder is niet aannemelijk dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Hij wenst immers een beoordeling van zijn asielaanvraag, maar dan wel in vrijheid.
3. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de maatregel van bewaring heeft mogen baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend en hij is niet in het bezit van identificerende documenten. Het is dan ook aan verweerder om zijn gestelde consistente verklaringen over zijn identiteit te onderzoeken. Daarnaast blijkt uit hetgeen de rechtbank hieronder zal bespreken dat sprake is van een reëel risico op onttrekking, zodat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van eisers asielaanvraag. Dat eiser dit in vrijheid wil afwachten, maakt voorgaande niet anders.
Gronden van de maatregel
4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een asielaanvraag. Als zware gronden [2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
En als lichte gronden [3] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij in het kader van de Dublinverordening door Oostenrijk is overgedragen aan Nederland en dus op geldige wijze is ingereisd. Daarnaast is hij eerder als asielzoeker naar Nederland gekomen, zodat hij toen niet op de voorgeschreven wijze Nederland heeft binnen kunnen komen. Verder is hij met onbekende bestemming vertrokken, nadat zijn eerdere asielaanvraag was afgewezen en hem was aangezegd Nederland te verlaten. Eisers identiteitskaart is nog in Libië, maar hij heeft altijd consistent verklaard over zijn identiteit. Verder wordt niet ingezien waarom hij zich moest houden aan zijn meldplicht in het AZC, [4] omdat reeds op zijn asielaanvraag was beslist. Tot slot heeft eiser op dit moment een asielaanvraag lopen, zodat hij recht heeft op opvang en weekgeld van het COa. [5]
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval de zware gronden 3a en 3b terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware gronden 3a en 3b volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [6] Ten aanzien van zware grond 3a stelt de rechtbank vast dat eiser zelf heeft verklaard illegaal naar Nederland te zijn gekomen. [7] Daarmee is deze grond feitelijk juist. Hoewel eisers laatste binnenkomst in het kader van de Dublinverordening heeft plaatsgevonden, doet dit niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Zware grond 3b acht de rechtbank eveneens feitelijk juist. Eiser is immers op 12 juni 2025 met onbekende bestemming vertrokken, hetgeen door hem ook niet wordt betwist. Deze zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
Lichter middel
7. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat zijn mentale en fysieke gesteldheid niet optimaal zijn. Hij ervaart detentie als psychisch zeer zwaar en vermoeiend.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kan worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast is hij eerder met onbekende bestemming vertrokken. Verweerder heeft verder bij de belangenafweging terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.
Ambtshalve toets
9. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
.
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 18 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in
aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van
geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Asielzoekerscentrum.
5.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
6.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
7.Proces-verbaal van gehoor van 31 oktober 2025, p. 5 van 10.