ECLI:NL:RBDHA:2025:21717

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
NL25.21736
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArt. 3.9a Voorschrift Vreemdelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsrecht onder Richtlijn tijdelijke bescherming Oekraïense nationaliteit

Eiser, een Oekraïense student geboren in 2004, vroeg tijdelijke bescherming aan onder de Richtlijn voor ontheemden uit Oekraïne. Verweerder stelde vast dat eiser vóór de peildatum van 27 november 2021 al uit Oekraïne vertrokken was om in Polen te studeren en dat hij onvoldoende aannemelijk maakte dat hij door de oorlog ontheemd was geraakt.

Eiser voerde aan dat zijn persoonlijke en sociale belangen nog steeds in Oekraïne lagen en dat hij bij terugkeer in december 2021 de intentie had zich duurzaam te vestigen. De rechtbank oordeelde echter dat het simpelweg verlaten van Oekraïne voor studie niet betekent dat het centrum van zijn belangen niet meer daar lag. Bovendien was eiser niet geslaagd in het aantonen van een duurzame vestigingsintentie bij zijn terugkeer.

De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit zorgvuldig en voldoende gemotiveerd was. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard, waardoor het besluit van verweerder in stand bleef en eiser geen recht had op terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit dat hij geen verblijfsrecht heeft onder de Richtlijn blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21736

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de vaststelling van verweerder dat eiser geen verblijfsrecht heeft onder de Richtlijn tijdelijke bescherming (hierna ook: de Richtlijn). [1]
1.1.
Met het besluit van 18 december 2024 heeft verweerder meegedeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn. Met het bestreden besluit van 14 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn beoordeling gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van eiser deelgenomen. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2004 in Oekraïne en heeft de Oekraïense nationaliteit. Eiser heeft zich op 3 december 2024 ingeschreven bij de gemeente, hierbij heeft hij laten weten dat hij gebruik wil maken van de tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Bij beschikking van 18 december 2024 heeft verweerder vastgesteld dat eiser weliswaar de Oekraïense nationaliteit heeft, maar verweerder is niet overtuigd dat eiser door de oorlog ontheemd is geraakt. Eiser was vóór de peildatum van 27 november 2021 al uit Oekraïne vertrokken. Eiser verbleef namelijk vanaf 2 oktober 2021 in Polen om daar te studeren. Verweerder heeft verder vastgesteld dat eiser van 24 december 2021 tot en met 11 januari 2022 in Oekraïne heeft verbleven, maar volgens verweerder heeft eiser onvoldoende aangetoond dat hij tijdens dit verblijf de intentie had om zich daar weer duurzaam te vestigen. Gelet op artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen, behoort eiser daarom niet tot de groep ontheemden uit Oekraïne die recht hebben op tijdelijke bescherming.
Wat vindt eiser in beroep?
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert in beroep – kort samengevat – het volgende aan. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Eiser valt onder de Richtlijn omdat hij vóór 24 februari 2022 nog in Oekraïne verbleef. Daarnaast is eiser wel ontheemd geraakt, primair omdat zijn ‘thuis’ op 24 februari 2022 nog in Oekraïne lag. Eiser was nog jong toen hij ging studeren en zijn hoofdverblijf is daarom in Oekraïne gebleven. Doorslaggevend voor het begrip 'ontheemd' immers, is de vraag waar het duurzame centrum van eisers persoonlijke en sociale belangen was ten tijde van het uitbreken van het gewapend conflict. Eiser is door de oorlog wel degelijk in het centrum van zijn persoonlijke belangen geraakt en zijn ‘thuis’ kwijtgeraakt. Subsidiair voert eiser aan dat hij de intentie had duurzaam te verblijven in Oekraïne na zijn terugkeer op 24 december 2021.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Zij zal dit oordeel hieronder uitleggen.
5.1.
Het betoog van eiser dat hij als ‘ontheemde’ als bedoeld in de Richtlijn moet worden aangemerkt slaagt niet.
Is eiser ontheemd geraakt door de oorloog?
5.2.
Uit de Richtlijn volgt dat het begrip ‘ontheemde’ van toepassing is op iemand die zijn land of regio van oorsprong heeft moeten verlaten als gevolg van – voor zover in eisers geval relevant – een gewapend conflict. [2] De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser voor de peildatum van 27 november 2021 uit Oekraïne vertrokken is. Eiser verbleef namelijk sinds 2 oktober 2021 in Polen om daar te studeren. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting ook aangegeven dat de bewijslast bij eiser ligt om te laten zien dat hij, ondanks zijn eerdere vertrek, toch vanwege de oorlog ontheemd is geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hier niet in geslaagd. Vaststaat dat eiser vóór het peilmoment Oekraïne heeft verlaten om – in ieder geval voor een langere periode – in het buitenland te gaan wonen om te studeren. Eisers betoog dat het simpelweg verlaten van je ‘thuis’ niet betekent dat het niet meer het centrum van je persoonlijke belangen is, is hiertoe niet voldoende. De rechtbank wijst erop dat de door eiser aangehaalde uitspraak een situatie betreft waarbij geen hoorzitting heeft plaatsgevonden [3] . De rechtbank volgt niet dat uit deze uitspraak blijkt dat het ‘centrum van iemands persoonlijke belangen’ zou moeten worden toegepast als maatstaf voor het begrip ontheemd. Eiser is in deze zaak wel gehoord en daarnaast is de rechtbank niet gebleken dat relevante feiten of omstandigheden onvoldoende zijn meegenomen bij het nemen van het besluit op bezwaar.
Had eiser de intentie om zich weer duurzaam te vestigen in Oekraïne?
5.3.
Om toch aanspraak te kunnen maken op de Richtlijn dient eiser aannemelijk te maken dat hij bij zijn terugkeer naar Oekraïne van plan was daar te blijven wonen. Naar het oordeel van de rechtbank is hij hier niet in geslaagd. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de aangeleverde stukken niet duiden op een verblijf van duurzame aard. Het arbeidscontract dat in zou gaan vanaf 13 maart 2022 is voor online werk dat hij vanaf elke locatie zou kunnen uitvoeren. Verweerder mocht er daarnaast op wijzen dat de inschrijving bij de gemeente [plaats] de stelling van eiser niet ondersteunt omdat eiser in de periode vóór en ná zijn terugkeer naar Oekraïne ook niet in [plaats] woonde, terwijl hij toen ook nog steeds stond ingeschreven bij de gemeente. Ook in de medische afspraak die eiser in Oekraïne heeft gehad, hoefde verweerder geen aanleiding te zien om aan te nemen dat eiser zich weer duurzaam wilde vestigen, nu het ging om een enkel bezoek. Ook het feit dat eiser de intentie heeft gehad om te stoppen met zijn studie maar dat uiteindelijk niet heeft gedaan is niet voldoende om aan te tonen dat er een intentie was om duurzaam te verblijven in Oekraïne.
5.4.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
6.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van H.S. van Wessel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Zie artikel 2, onder c, van de Richtlijn.
3.Zie de uitspraak van 20 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:17425