ECLI:NL:RBDHA:2025:21744

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
19 november 2025
Zaaknummer
C/09/677071
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Exhibitie vordering in merkenrechtelijke geschil tussen Coty en Prestige over parfum testers en bewijsbeslag

In deze zaak, die op 19 november 2025 door de Rechtbank Den Haag is behandeld, staat de vraag centraal of Prestige Perfumes B.V. verplicht is om documenten te tonen aan Coty Beauty Germany GmbH, waarop beslag is gelegd. Coty, eiseres in conventie, vordert inzage in documenten met betrekking tot de handel in testers door Prestige, die gedaagde is in conventie en eiseres in reconventie. De rechtbank oordeelt dat Prestige niet hoeft te voldoen aan de exhibitie-vordering, omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat Prestige merkinbreuk heeft gepleegd met de handel in testers. Tevens wordt geoordeeld dat het bewijsbeslag op de documenten gehandhaafd blijft. De rechtbank heeft eerder in een bodemprocedure vastgesteld dat Prestige geen merkinbreuk heeft gemaakt met de verkoop van parfumflessen aan een Roemeense onderneming, maar dat het aanbieden van demonstratiemodellen zonder de juiste douanestatus wel als inbreukmakend wordt beschouwd. De rechtbank wijst de vorderingen van Coty af en veroordeelt Coty in de proceskosten van Prestige, terwijl de vorderingen van Prestige in reconventie ook worden afgewezen. De zaak illustreert de complexiteit van merkenrecht en de vereisten voor het verkrijgen van inzage in bescheiden in het kader van een rechtsbetrekking.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Civiel recht
Zaaknummer: C/09/677071 / HA ZA 24-1056
Vonnis van 19 november 2025
in de zaak van
COTY BEAUTY GERMANY GMBH,
te Darmstadt (Duitsland),
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: Coty,
advocaat: mr. W.J.H. Leppink,
tegen
PRESTIGE PERFUMES B.V.,
te Amsterdam,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: Prestige,
advocaat: mr. P.L. Tjiam.

1.In het kort

1.1.
Deze zaak gaat over de vraag of Prestige documenten aan Coty moet tonen, waarop beslag is gelegd. Coty wil informatie ontvangen over de handel in testers door Prestige. De rechtbank beslist dat Prestige dat niet hoeft te doen, omdat er onvoldoende aanwijzingen zijn om te vermoeden dat Prestige merkinbreuk heeft gemaakt met de handel in concrete testers. Ook zijn er onvoldoende aanwijzingen dat Prestige zich niet heeft gehouden aan een bevel om informatie te geven in een eerder vonnis. De zaak gaat ook over de vraag of het beslag op de documenten opgeheven moet worden. De rechtbank beslist dat het beslag mag blijven rusten op de documenten.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bevat de volgende stukken:
- de dagvaarding van 9 augustus 2024, met producties EP01 tot en met EP23 (producties EP22 en EP23 zijn aanvankelijk pro forma ingediend en voorafgaand aan de zitting alsnog ingediend en geupdate),
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie namens Prestige van 29 januari 2025, met producties GP01 tot en met GP11b,
- de conclusie van antwoord in reconventie van 12 maart 2025,
- de akte overlegging aanvullende producties van Prestige, met producties GP12 tot en met GP15,
- de op 22 september 2025 door partijen ingediende schriftelijke pleitnota’s,
- de akte overlegging aanvullende producties van Prestige van 24 september 2025, met producties GP16 en GP17 (proceskostenoverzicht en handreiking proceskostenoverzicht),
- de mondelinge behandeling van 24 september 2025, waarbij aan de hand van korte pleitnotities is gereageerd op de eerder ingediende schriftelijke pleitnota’s.
2.2.
Ter zitting heeft Coty zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Leppink, voornoemd, en mr. P. Trapman, advocaten te Rotterdam. Prestige heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.L. Tjiam, voornoemd, en mr. E.R. van der Velde, advocaten te Amsterdam. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van de zitting.
2.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Coty behoort tot de Coty Group, met aan het hoofd het in New York gevestigde en beursgenoteerde moederbedrijf Coty Inc. De Coty Group houdt zich bezig met het ontwikkelen, aanprijzen en distribueren van honderden cosmeticaproducten onder een groot aantal merken, waaronder de hierna opgesomde merken voor waren in klasse 3 waaronder parfums en cosmetica (gezamenlijk ‘de Coty Merken’):
3.1.1.
het Uniemerk BURBERRY met nummer 001058312, geregistreerd op 27 maart 2000;
3.1.2.
het Uniemerk
met nummer 000079707, geregistreerd op 27 oktober 1998;
3.1.3.
de internationale merkregistratie met aanwijzing van de Benelux DAVIDOFF met nummer 0467510, geregistreerd op 27 januari 1982;
3.1.4.
het Uniemerk JIL SANDER met nummer 012754611, geregistreerd op 27 augustus 2014;
3.1.5.
het Uniemerk JIL SANDER met nummer 004233003, geregistreerd op 17 januari 2006;
3.1.6.
het Uniemerk ZINO DAVIDOFF met nummer 003450764, geregistreerd op 22 april 2005.
3.2.
Coty heeft van de houders van de Coty Merken een exclusieve licentie verkregen om de Coty Merken voor waren in klasse 3 te gebruiken, en een procesvolmacht om deze merken op eigen naam te handhaven.
3.3.
Prestige houdt zich bezig met de wereldwijde groothandel in parfums en cosmetica. Prestige behoort tot de Van Caem Klerks Group en maakt onderdeel uit van de divisie ‘Van Caem Fragrances’. De Van Caem Klerks Group is actief op het gebied van de parallelhandel in luxeproducten.
3.4.
Bij vonnis van 15 mei 2024 [1] is in een tussen partijen gevoerde bodemprocedure beslist op inbreukvorderingen van Coty (hierna: ‘het eerste bodemvonnis’). De rechtbank heeft in het eerste bodemvonnis vastgesteld dat Prestige flessen parfum voorzien van de Coty Merken aan de Roemeense onderneming Romscent/Le Fragrance (hierna: ‘Le Fragrance’) heeft verkocht en geleverd. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat Prestige op 16 juni 2022 een lijst met producten voorzien van de Coty Merken en prijzen aan Le Fragrance heeft gemaild, waarop demonstratiemodellen (ook wel testers genoemd) met de vermelding ‘Tester’ vermeld waren (hierna: de Aanbiedingenlijst). De rechtbank heeft geoordeeld dat Prestige met de vastgestelde verkoop en levering van producten geen merkinbreuk heeft gemaakt. Het betrof goederen met douanestatus T1 (transitgoederen) en de leveringen impliceerden in dit geval niet noodzakelijkerwijs dat deze goederen in het vrij verkeer van goederen van de Unie zouden worden gebracht. De rechtbank heeft geoordeeld dat Prestige met het aanbieden van de demonstratiemodellen op de Aanbiedingenlijst, zonder vermelding dat het om goederen met de douanestatus T1 ging, wel merkinbreuk heeft gemaakt. Prestige is bevolen opgave te doen van gegevens met betrekking tot de demonstratiemodellen met de Coty Merken (hierna: ‘het Opgavebevel’). Tegen dit vonnis heeft Prestige hoger beroep ingesteld.
3.5.
In het eerste bodemvonnis heeft de rechtbank meer in het bijzonder overwogen:
“2.7. Op 16 juni 2022 heeft Prestige aan Le Fragrance per e-mail een lijst gestuurd waarin een groot aantal parfumproducten (waaronder van de Coty-merken) en de prijzen daarvan staan vermeld. Ter illustratie is hieronder een deel van deze aanbiedingenlijst weergegeven, waarop te zien is dat producten kunnen worden besteld door het gewenste aantal in te vullen in de rechter kolom:
(...)
4.5.
Het eerste verwijt dat Coty Prestige maakt is dat zij parfumflessen die Coty heeft verkocht aan partijen buiten de EU – en die dus niet zijn uitgeput – in de EU in de handel heeft gebracht, door deze aan een Roemeense onderneming (Romscent / Le Fragrance) te verkopen en leveren.(...)
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat Prestige met de door haar overgelegde final loading lists (2.9.1) en begeleidingsdocumenten (2.9.2) heeft aangetoond dat zij de parfumflessen op T1-status aan Romscent heeft verkocht en geleverd en dus voldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij deze in de EU in de handel heeft gebracht. Dat de facturen die Prestige aan Romscent heeft gestuurd geen T1-status vermelden en dat Prestige Romscent niet op de hoogte zou hebben gebracht van enig douanerechtelijk voorbehoud doet hier niets aan af en is ook niet vereist.
4.7.
Bovendien is de rechtbank in dit geval van oordeel dat het aanbieden, verkopen en leveren van de parfumflessen op T1-status niet noodzakelijkerwijs impliceert dat deze (toch) in de EU in de handel worden gebracht, zodat niet is voldaan aan het Class-criterium. Het enkele feit dat Prestige de parfumflessen heeft aangeboden, verkocht en geleverd aan een partij die in de EU is gevestigd (Le Fragrance / Romscent) is daartoe onvoldoende. Le Fragrance en Romscent verkopen weliswaar producten direct aan Roemeense c.q. Europese consumenten, maar dit betekent niet automatisch (impliceert niet noodzakelijkwijs) dat zij de parfumflessen die zij van Prestige heeft gekocht, in de EU in de handel zouden brengen. In dit geval is zelfs gebleken dat dit niet is gebeurd; Romscent heeft de parfumflessen immers – als internationale parallelhandelaar – op T1-status doorverhandeld aan JTG B.V. en F.C.T. B.V. Het is niet aan Prestige om toe te zien of haar afnemer of de schakel daarna de producten op T1-status doorverkoopt of invoert in de EU in de handel brengt.
4.8.
Nu Prestige de parfumflessen niet in de EU in de handel heeft gebracht en de verkoop en levering aan het Roemeense Romscent dit ook niet noodzakelijkerwijs impliceerde, is geen sprake van merkinbreuk op in de zin van artikel 9 lid 2 aanhef sub a UMVo en zullen de vorderingen die hierop gegrond zijn worden afgewezen.
(...)
4.10.
Het tweede verwijt dat Coty Prestige maakt, is dat Prestige demonstatiemodellen voorzien van de Coty-merken in de EU te koop heeft aangeboden, terwijl deze door Coty zijn uitgezonderd van verkoop. Coty levert deze slechts onder eigendomsvoorbehoud aan haar depositairs en deze zijn dus niet door de merkhouder in de EER in de handel gebracht.
4.11.
De rechtbank overweegt dat vast staat dat Prestige per e-mail aan Romscent een lijst heeft gestuurd waarop parfumflessen en de bijbehorende prijzen zijn vermeld, waarmee deze producten kunnen worden besteld (zoals opgenomen onder 2.7). Op deze aanbiedingenlijst staan ook demonstratiemodellen (aangeduid met “tester”) van de Coty-merken die goedkoper worden aangeboden dan het normale product. Omdat Coty deze demonstratiemodellen in het algemeen uitzondert van verkoop, zijn deze niet door de merkhouder in de EER in de handel gebracht en betreft het dus waren die niet zijn uitgeput in de zin van 15 lid 1 UMVo.
4.12.
De rechtbank is van oordeel dat het versturen van deze aanbiedingenlijst kwalificeert als inbreukmakend gebruik van de Coty-merken. Uit de lijst blijkt immers niet dat de demonstratiemodellen worden aangeboden op uitsluitend douanestatus T1, noch dat deze uitsluitend bestemd zijn voor de niet-EER markt en niet in de EU mogen worden aangeboden of verkocht. Wanneer niet dergelijke voorbehouden zijn gemaakt, is sprake van een aanbod dat mede is gericht op verkoop in de EU [Vgl. Rechtbank Den Haag 14 juni 2023. ECLI:NL:RBDHA:2023:8497 (Hennessy c.s. / Loendersloot c.s.) r.o. 6.64 t/m 6.68.] De aanbiedingenlijst die Prestige heeft verstuurd vormt een dergelijk ongeclausuleerd aanbod, zodat met dit aanbod inbreuk wordt gemaakt op de merkrechten van Coty. Dat dit niet heeft geleid tot een daadwerkelijke verkoop en levering van een demonstratiemodel (op T1 dan wel T2), doet hier niet aan af. De in artikel 9 lid 3 aanhef en sub b UMVo opgesomde inbreukmakende handelingen omvatten immers ook ‘aanbieden’, zodat het enkele aanbieden van inbreukmakende (want niet-uitgeputte) producten op de vrije markt in de EU al een voorbehouden handeling is. Voor vaststelling van de schade is uiteraard wel van belang of daadwerkelijk in de EER is geleverd naar aanleiding van het aanbod.
(...)
4.18.
De onder 3 gevorderde opgave van informatie zal worden toegewezen voor zover dit ziet op de demonstratiemodellen van Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander die Prestige in de EU heeft aangeboden. Aangezien de vorderingen onder 3 c), d) en e) niet zien op het aanbieden van demonstratiemodellen (maar de verkoop of het in voorraad hebben daarvan), zal de vordering in zoverre worden afgewezen. De gevorderde controle en waarmerk door een gediplomeerde, onafhankelijke administrateur zal worden afgewezen, aangezien alle drie deze begrippen onvoldoende concreet zijn omschreven, hetgeen tot executieproblemen zal kunnen leiden.”
3.6.
Het dictum van het eerste bodemvonnis luidt:
“De rechtbank
5.1.
beveelt Prestige iedere inbreuk op de merken waarvan Coty (of een aan Coty verbonden onderneming) licentienemer is, met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden, meer in het bijzonder door het in de Europese Unie aanbieden van demonstratiemodellen van de merken Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander te staken en gestaakt te houden;
5.2
beveelt Prestige uiterlijk binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, aan de advocaat van Coty te doen toekomen een schriftelijke opgave van de volgende informatie:
a. de leverancier(s) en distributeur(s), van wie Prestige de demonstratiemodellen van Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander die Prestige in de EU heeft aangeboden, heeft verkregen, onder mededeling van hun adres(sen), e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s);
b. de aan Prestige geleverde aantallen, nummers, prijzen en leverdata van de demonstratiemodellen van Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander die Prestige in de EU heeft aangeboden, zulks gerangschikt per leverancier of distributeur van de demonstratiemodellen, onder overlegging van kopieën van de daarop betrekking hebbende facturen;
c. al hetgeen Prestige overigens bekend is omtrent de herkomst en de distributiekanalen van de demonstratiemodellen van Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil Sander die Prestige in de EU heeft aangeboden, vergezeld van alle daarop betrekking hebbende stukken, meer in het bijzonder de (volledige) namen, adressen, e-mailadressen, telefoonnummers van andere bij de verhandeling van die demonstratiemodellen betrokken (rechts-)personen, zoals de voormannen van hun leveranciers;
5.3.
veroordeelt Prestige tot betaling aan Coty van een dwangsom van € 10.000,- voor iedere overtreding van de onder 5.1 en 5.2 opgelegde bevelen, alsmede een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat een overtreding voortduurt, dan wel – zulks ter keuze van Coty - een dwangsom van € 250,- voor ieder product waarmee in strijd met een opgelegd bevel wordt gehandeld;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.”
3.7.
Op 17 mei 2024 is het eerste bodemvonnis aan Prestige betekend. Conform een nadere afspraak tussen partijen over de opgavetermijn, heeft Prestige in een brief van 3 juni 2024 opgave gedaan ter voldoening aan onderdeel 5.2 van dat vonnis. Prestige schrijft dat het bevel onuitvoerbaar is omdat zij geen gegevens van concrete inkooptransacties, verkooptransacties en/of voorraad kan koppelen aan de aantallen genoemd in de Aanbiedingslijst, omdat die niet haar daadwerkelijke voorraad weergeven. Zij schrijft:
“Hoewel het Vonnis onuitvoerbaar is, zal Prestige om eventuele executiegeschillen te
voorkomen alsnog een opgave doen. Hoewel dat volgens het Vonnis niet verplicht is, heeft
Prestige haar volledige digitale administratie doorzocht op de verkoop en inkoop van
concrete demonstratiemodellen van de merken Calvin Klein, Davidoff, Burberry en Jil
Sander in de EU, dus met douanestatus T0, zonder beperkingen wat betreft afnemer,
leverancier of periode. Uit dit onderzoek is gebleken dat Prestige in haar gehele bestaan - Prestige is opgericht op 4 oktober 2016 - in totaal 15 demonstratiemodellen voorzien van
het merk Burberry in de EU heeft verkocht en geleverd, 3 demonstratiemodellen voorzien
van het merk Davidoff in de EU heeft verkocht en geleverd, en 6 demonstratiemodellen
voorzien van het merk Jil Sander in de EU heeft verkocht en geleverd. Deze demonstratiemodellen zijn afkomstig van twee verschillende leveranciers: Bluworld S.A.S.
("Bluworld") en Magnolia Corporation B.V. ("Magnolia"). Kortom: Prestige heeft in totaal 24 demonstratiemodellen voorzien van de relevante merken verkocht, geleverd, en dus ingekocht in de EU, en die demonstratiemodellen zijn afkomstig van Bluworld en Magnolia.”
3.8.
Bij brief van 20 juni 2024 heeft Coty aan Prestige meegedeeld dat deze opgave tekortschiet en dat Prestige dwangsommen verbeurt.
3.9.
Op 21 juni 2024 heeft Coty een verzoekschrift bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam ingediend tot het verlenen van verlof voor het leggen van conservatoir bewijsbeslag ten laste van Prestige. Dezelfde dag heeft de voorzieningenrechter het bewijsbeslag toegestaan als verzocht.
3.10.
Op 26 juni 2024 heeft Coty bewijsbeslag ten laste van Prestige gelegd. Het bewijsbeslag heeft plaatsgevonden op het kantooradres van Prestige te Amsterdam. Het beslag rust op meer dan 40.000 documenten.
3.11.
Op 12 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in conventie de vordering van Prestige tot opheffing van het bewijsbeslag afgewezen. Coty is wel geboden om executiemaatregelen op grond van het verlof tot bewijsbeslag van 21 juni 2024 te staken, voor zover het gaat om executiemaatregelen wegens schending van de medewerkingsplicht door Prestige. De voorzieningenrechter heeft de reconventionele vordering van Coty tot exhibitie van de in bewijsbeslag genomen documenten afgewezen, omdat een spoedeisend belang ontbrak en omdat de vordering zich niet leende voor behandeling in kort geding vanwege de complexiteit. De proceskosten in reconventie zijn gecompenseerd.

4.Het geschil

In conventie
4.1.
Coty vordert dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
1. Prestige zal gebieden toe te staan en te gedogen dat de gerechtsdeurwaarder c.q. gerechtelijk bewaarder van Equilibristen gerechtsdeurwaarders B.V., voor zover nodig met bijstand van Agritect Advies B.V. (h.o.d.n. Probatius) en ICT Concept B.V., de afschriften van de beslagen bescheiden zoals hieronder genoemd deelt met de advocaten van Coty, door hen daarvan (digitale) kopieën te verstrekken, waarbij Prestige inzage en afschrift dient te gehengen en te gedogen:
A. Overzichten per merknaam (Burberry, Calvin Klein, Davi[do]ff en Jil Sander) van de productcodes met de term TST;
B. Exports van alle voorraadmutaties, die zijn gebaseerd op de inkoop en verkoop;
C. Het totaaloverzicht waarin de kenmerken van de voorraadmutaties zijn vastgesteld zoals onder andere “artikelnummer/vestiging/boekingsdatum/aantal/landcode/brand/customs status/omschrijving/kostenbedrag/serienummer”;
D. De separate mappen waarin de onderliggende documenten zijn gekopieerd (offertes, facturen, pro-forma documenten, e-mails, vervoersdocumenten, etc.) welke in directe relatie tot een regel uit het totaaloverzicht staan;
Subsidiair
2. Prestige zal gebieden toe te staan en te gedogen dat de gerechtsdeurwaarder c.q. gerechtelijk bewaarder van Equilibristen gerechtsdeurwaarders B.V., voor zover nodig met bijstand van Agritect Advies B.V. (h.o.d.n. Probatius) en ICT Concept B.V., de afschriften van de beslagen bescheiden zoals hieronder genoemd deelt met de advocaten van Coty, door hen daarvan (digitale) kopieën te verstrekken, waarbij Prestige inzage en afschrift dient te gehengen en te gedogen van:
A. Het totaaloverzicht waarin de kenmerken van de voorraadmutaties zijn vastgesteld zoals onder andere “artikelnummer/vestiging/boekingsdatum/aantal/landcode/brand/customs status/omschrijving/kostenbedrag/serienummer”;
B. De separate mappen waarin de onderliggende documenten zijn gekopieerd, zulks uitsluitend voor zover dat de facturen en vervoersdocumenten bevat, welke in directe relatie tot een regel uit het totaaloverzicht staan;
Meer subsidiair
3. Prestige zal gebieden toe te staan en te gedogen dat de gerechtsdeurwaarder c.q. gerechtelijk bewaarder van Equilibristen gerechtsdeurwaarders B.V., voor zover nodig met bijstand van Agritect Advies B.V. (h.o.d.n. Probatius) en ICT Concept B.V., de afschriften van de beslagen bescheiden zoals hieronder genoemd deelt met de advocaten van Coty, door hen daarvan (digitale) kopieën te verstrekken, waarbij Prestige inzage en afschrift dient te gehengen en te gedogen van:
A. Het totaaloverzicht waarin de kenmerken van de voorraadmutaties zijn vastgesteld zoals onder andere “artikelnummer/vestiging/boekingsdatum/aantal/landcode/brand/customs status/omschrijving/kostenbedrag/serienummer”, zulks uitsluitend voor zover de “customs status” géén T-1 vermelding heeft;
B. De separate mappen waarin de onderliggende documenten zijn gekopieerd, zulks uitsluitend voor zover dat de facturen en vervoersdocumenten bevat, welke in directe relatie tot een regel uit het totaaloverzicht staan, zulks uitsluitend voor zover de “customs status” géén T-1 vermelding heeft;
Nog meer subsidiair
4. Prestige zal gebieden toe te staan en te gedogen dat de gerechtsdeurwaarder c.q. gerechtelijk bewaarder van Equilibristen gerechtsdeurwaarders B.V., voor zover nodig met bijstand van Agritect Advies B.V. (h.o.d.n. Probatius) en ICT Concept B.V., de afschriften van de beslagen bescheiden zoals hieronder genoemd deelt met de advocaten van Coty, door hen daarvan (digitale) kopieën te verstrekken, waarbij Prestige inzage en afschrift dient te gehengen en te gedogen van:
A. Het totaaloverzicht waarin de kenmerken van de voorraadmutaties zijn vastgesteld zoals onder andere “artikelnummer/vestiging/boekingsdatum/aantal/landcode/brand/customs status/omschrijving/kostenbedrag/serienummer”;
Nog meer subsidiair
5. Prestige zal gebieden toe te staan en te gedogen dat de gerechtsdeurwaarder c.q. gerechtelijk bewaarder van Equilibristen gerechtsdeurwaarders B.V., voor zover nodig met bijstand van Agritect Advies B.V. (h.o.d.n. Probatius) en ICT Concept B.V., afschrift van het totaaloverzicht waarin de kenmerken van de voorraadmutaties zijn vastgesteld zoals onder andere “artikelnummer/vestiging/boekingsdatum/aantal/landcode/brand/customs status/omschrijving/kostenbedrag/serienummer” verstrekt aan de advocaten van Prestige ter controle, waarna de advocaten van Prestige binnen 3 (drie) dagen de advocaten van Coty moeten aangeven welke onderdelen volgens de advocaten van Prestige niet getoond mogen worden aan Coty, waarvan in elk geval aan Coty mag worden verstrekt alle informatie omtrent de herkomst en distributiekanalen van de demonstratiemodellen, waarna afschrift van die bescheiden wordt verstrekt aan Coty en Prestige inzage en afschrift dient te gehengen en te gedogen. Als partijen er niet uitkomen, wordt een regiezitting gelast zonder de aanwezigheid van Coty, waarin besproken kan worden welke onderdelen met Coty gedeeld mogen worden;
Uiterst subsidiair
6. Op de voet van artikel 843a lid 2 Rv en in goede justitie zal bepalen op welke wijze Coty afschrift en inzage in de bescheiden die zijn beslagen zal verkrijgen;
Zowel primair, subsidiair, meer subsidiair als uiterst subsidiair
7. Prestige zal veroordelen in de kosten van het geding ex artikel 1019h Rv [2] , te begroten conform de door Coty overgelegde specificatie(s), althans op een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening;
8. Prestige zal veroordelen in de kosten van het gelegde beslag ex artikel 706 Rv, te begroten conform de door Coty overgelegde specificatie(s), althans op een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf zeven dagen na betekening van het vonnis tot de dag der algehele voldoening.
4.2.
Coty legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Op grond van artikel 843a Rv jo 1019a Rv wenst Coty inzage in de bescheiden die zij heeft beslagen. In het eerste bodemvonnis is al vastgesteld dat Prestige merkinbreuk heeft gemaakt met het aanbieden van demonstratiemodellen en is het Opgavebevel toegewezen. De rechtsbetrekking en het rechtmatig belang bij inzage zijn daarmee al gegeven. Met de inzage kan Coty de omvang van de inbreuk vaststellen en verdere inbreuken tegenhouden door de voormannen van Prestige aan te spreken. Coty heeft ook een rechtmatig belang bij de informatie om te kunnen aantonen dat Prestige niet heeft voldaan aan het Opgavebevel. Door niet aan het Opgavebevel te voldoen heeft Prestige onrechtmatig gehandeld en heeft zij dwangsommen verbeurd. De bescheiden waarvan Coty afschrift verlangt, zijn voldoende bepaald.
4.3.
Prestige voert gemotiveerd verweer. Aan de vereisten van artikel 843a Rv is volgens haar niet voldaan. Prestige legt, in de kern, aan haar verweer ten grondslag dat zij volledig heeft voldaan aan het Opgavebevel. Zij heeft met haar opgave op 3 juni 2024 zelfs meer gedaan dan waartoe zij was bevolen. De Aanbiedingenlijst kan niet gerelateerd worden aan enige voorraad. In het eerste bodemvonnis is één enkele merkinbreuk vastgesteld, die bestaat uit het op 16 juni 2022 versturen van de Aanbiedingenlijst aan Le Fragrance. Coty negeert volgens Prestige het onderscheid tussen handel van producten met douanestatus T1 (extra communautaire of transit goederen) en goederen in het vrije verkeer van de Europese Unie (Prestige noemt dat ‘douanestatus T0’ [3] ). Dat onderscheid is van belang omdat het verhandelen en daartoe op voorraad houden van producten op T1 geen voorbehouden handeling is als die handelingen niet noodzakelijkerwijs leiden tot het in de Europese Unie (EU) in het vrij verkeer brengen van de betreffende goederen (het zogenaamde Class-criterium [4] ). Er is daarom geen rechtsbetrekking in de zin van artikel 843a Rv.
4.4.
Een rechtmatig belang om bewijs te vergaren over andere merkinbreuken dan het versturen van de Aanbiedingenlijst is er volgens Prestige ook niet, omdat de rechtbank in het eerste bodemvonnis al heeft beslist welke handelingen van Coty wel en niet merkinbreuk vormen. De exhibitie-vorderingen van Coty zijn dus niets anders dan een
fishing expeditionmet als doel om alsnog een begin van onderbouwing te vinden voor de stelling dat Prestige het bevel zou hebben overtreden, om de aangezegde dwangsommen van ten minste € 186.500,- alsnog te kunnen incasseren, en om bedrijfsvertrouwelijke bescheiden van Prestige in handen te krijgen. Ook aan het vereiste van bepaalde bescheiden is niet voldaan, en bovendien is de bescherming van vertrouwelijke informatie niet gewaarborgd, aldus Prestige.
In reconventie
4.5.
In reconventie vordert Prestige – samengevat – dat de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het op 26 en 27 juni 2024 door Coty gelegde bewijsbeslag opheft en de gerechtelijke bewaring beëindigt, Coty verbiedt om opnieuw bewijsbeslag te leggen ten laste van Prestige, voor recht verklaart dat Coty aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het bewijsbeslag en veroordeelt in de proceskosten op de voet van artikel 1019h Rv.
4.6.
Aan haar vorderingen in reconventie legt Prestige het volgende ten grondslag.
Coty heeft niet voldaan aan de waarheidsplicht en de substantiëringsplicht in haar verzoekschrift tot het leggen van conservatoir bewijsbeslag, omdat zij de voorzieningenrechter onjuist en onvolledig heeft voorgelicht. Daarnaast zijn de grondslagen voor het bewijsbeslag summierlijk ondeugdelijk en was het bewijsbeslag onnodig.
4.7.
Coty voert gemotiveerd verweer in reconventie.
4.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover voor de beoordeling van belang.

5.De beoordeling

Bevoegdheid
5.1.
Voor zover de vorderingen van Coty gebaseerd zijn op (handhaving van) haar Uniemerkrechten, is de rechtbank internationaal en relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen op grond van artikel 123 lid 1, 124 aanhef en onder a en c en artikel 125 lid 1 UMVo [5] , in verbinding met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk, aangezien Prestige in Nederland is gevestigd. Deze bevoegdheid strekt zich op grond van artikel 126 lid 1 UMVo uit tot de gehele EU.
5.2.
Voor zover de vorderingen van Coty gebaseerd zijn op handhaving van een Beneluxmerkrecht, is deze rechtbank bevoegd daarvan kennis te nemen omdat dat geschilpunt verknocht is met het geschil tussen partijen dat is gebaseerd op de Uniemerkrechten van Coty.
5.3.
Voor zover de vorderingen van Coty gebaseerd zijn op een andere grondslag, is deze rechtbank bevoegd daarvan kennis te nemen reeds omdat die bevoegdheid niet is bestreden.
5.4.
Deze rechtbank is ook bevoegd kennis te nemen van de vorderingen in reconventie, omdat die vorderingen voortspruiten uit de rechtsfeiten waarop de vordering in conventie is gegrond.
In conventie
Inleiding
5.5.
Coty heeft haar inzagevorderingen ingesteld op grond van artikel 1019a Rv jo. 843a Rv (oud). Dit laatste artikel is inmiddels gewijzigd en vernummerd tot artikel 194 Rv. Op grond van het toepasselijke overgangsrecht is op deze zaak artikel 843a Rv (oud) van toepassing, omdat de dagvaarding in deze zaak voor 1 januari 2025 is uitgebracht. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Artikel 843a Rv (oud) zal hierna verkort ‘artikel 843a Rv’ worden genoemd.
5.6.
Op grond van artikel 843a lid 1 Rv kan degene die daarbij (a) rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van (b) bepaalde bescheiden (c) aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, (d) van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
5.7.
Voor toewijzing van een inzagevordering op grond van artikel 843a Rv is onder andere vereist dat de betrokken stukken een rechtsbetrekking aangaan waarbij de eiser partij is. Artikel 1019a Rv bepaalt dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een dergelijke rechtsbetrekking. Daarbij behoeft niet te zijn voldaan aan de mate van aannemelijkheid die is vereist voor toewijzing in kort geding van een op een (dreigende) inbreuk gebaseerde vordering: voldoende is dat uit de door de eiser gestelde (en zo mogelijk met bewijsmateriaal gestaafde) feiten en omstandigheden een redelijk vermoeden van inbreuk moet kunnen worden afgeleid [6] . De eiser heeft een rechtmatig belang bij de inzage als de bescheiden relevant zijn voor het bewijs van die rechtsbetrekking.
5.8.
In de onderhavige zaak stelt de rechtbank verder voorop dat het eerste bodemvonnis geen kracht van gewijsde heeft, omdat Prestige daarvan in appel is gegaan en Coty in incidenteel appel. Het eerste bodemvonnis heeft daardoor geen gezag van gewijsde tussen partijen.
Rechtsbetrekking I en het bijbehorende rechtmatig belang
5.9.
De eerste rechtsbetrekking waarop Coty zich beroept, is merkinbreuk op de Coty Merken door Prestige. Die inbreuk bestaat blijkens de dagvaarding in deze procedure en het eerste bodemvonnis uit het mede op de EU gericht aanbieden van demonstratiemodellen voorzien van de Coty Merken in de Aanbiedingenlijst. Volgens Coty is deze merkinbreuk gegeven omdat die al is vastgesteld in het eerste bodemvonnis.
5.10.
Omdat het eerste bodemvonnis geen gezag van gewijsde heeft, volstaat een verwijzing naar dat vonnis niet. De rechtbank dient zelfstandig een oordeel te geven over deze grondslag.
5.11.
De gegevens waarvan inzage wordt gevraagd (zie 4.1) hebben betrekking op informatie over fysieke producten, transacties met die fysieke producten, goederenstromen en voorraden daarvan. Coty vordert ook inzage in offertes (sub D van haar primaire vordering), maar het gaat daarbij om offertes in onderliggende mappen uit het totaaloverzicht van voorraadmutaties, die zijn uitgebracht bij de verhandeling van fysieke producten. De gegevens waarop de vordering ziet, dienen bij te kunnen dragen aan het bewijs van de gestelde rechtsbetrekking. Coty heeft echter onvoldoende gemotiveerd hoe deze gegevens over concrete producten en leveringen daarvan kunnen bijdragen aan het bewijs van inbreuk gemaakt met het verzenden van de Aanbiedingenlijst, of, meer in het algemeen het
aanbiedenvan demonstratiemodellen. Het vereiste rechtmatig belang bij de exhibitie ontbreekt daarmee ten aanzien van deze grondslag.
Rechtsbetrekking II: merkinbreuk door verkoop en voorraad demonstratiemodellen
5.12.
Voor zover Coty als alternatieve rechtsbetrekking heeft aangevoerd de door haar gestelde merkinbreuk van Prestige met inkoop, verkoop en het in voorraad houden van demonstratiemodellen voorzien van de Coty Merken, geldt het volgende.
5.13.
Van een redelijk vermoeden dat Prestige inbreuk heeft gemaakt op de Coty Merken door de verhandeling van concrete demonstratiemodellen die in de Aanbiedingenlijst als ‘Available’ zijn vermeld, is geen sprake. Prestige ontkent niet dat zij demonstratiemodellen verhandelt voorzien van de Coty Merken met douanestatus T1. Het inkopen, verkopen en voor verhandeling in voorraad houden van demonstratiemodellen op T1 vormt echter geen inbreuk op de Coty Merken, tenzij de goederen door dat handelen noodzakelijkerwijs in het vrij verkeer van de Unie worden gebracht [7] . Anders dan Coty lijkt te menen, maakt het daarbij niet uit dat de demonstratiemodellen, anders dan haar voor consumentenverkoop bedoelde handelswaar, eigendom blijven van Coty en onder een eigendomsvoorbehoud aan detailhandelaren in bruikleen worden gegeven. Merkenrechtelijk kan Coty de verhandeling van demonstratiemodellen op die grond niet verbieden als het om T1 goederen gaat (tenzij zij aantoont dat die goederen noodzakelijkerwijs in het vrij verkeer worden gebracht). Zakenrechtelijke grondslagen heeft Coty niet aangevoerd. Hieruit volgt dat er (met uitzondering van de 24 demonstratiemodellen waarvan opgave is gedaan) geen redelijk vermoeden is dat Prestige merkinbreuk heeft gemaakt op de Coty Merken door de verhandeling en het daarvoor in voorraad houden van demonstratiemodellen.
5.14.
Coty betoogt voorts nog dat de toewijzing van het Opgavebevel in onderdeel 5.2. van het eerste bodemvonnis haar op zich al recht geeft op de gevorderde exhibitie (los van de vraag of het Opgavebevel is nageleefd). Dat is onjuist: de toewijzing van een vordering om opgave te doen vormt op zich geen rechtsbetrekking die volstaat voor toewijzing van exhibitie. Voor het overige geldt hetgeen hiervoor in 5.10 is overwogen over het ontbreken van gezag van gewijsde. De exhibitie-vordering moet aan de eisen voor exhibitie op grond van artikel 843a Rv voldoen.
5.15.
De slotsom van het voorgaande is, dat de door Coty gestelde merkinbreuk als rechtsbetrekking niet tot toewijzing van de exhibitie-vordering kan leiden.
Rechtsbetrekking III: onrechtmatige daad door niet te voldoen aan opgaveverplichting?
5.16.
Een andere rechtsbetrekking waarop Coty zich beroept, is een onrechtmatige daad van Prestige doordat zij niet volledig heeft voldaan aan het Opgavebevel. Coty wenst de exhibitie te gebruiken om de gestelde niet-naleving van het Opgavebevel en haar aanspraak op verbeurde dwangsommen nader te onderbouwen. Prestige bestrijdt dat zij het Opgavebevel niet is nagekomen.
Uitleg Opgavebevel
5.17.
Bij de vraag of Prestige aan het Opgavebevel heeft voldaan geldt dat dat bevel uitgelegd moet worden met het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer in dier voege dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel en met toepassing van maatstaven van redelijkheid en billijkheid [8] .
5.18.
Coty stelt zich op het standpunt dat het Opgavebevel betrekking heeft op alle demonstratiemodellen die Prestige heeft verhandeld en/of in voorraad heeft gehad, voorzien van Coty Merken die op de Aanbiedingenlijst zijn genoemd, ongeacht de afnemer en ongeacht de douanerechtelijke status van die goederen.
5.19.
In het licht van de overwegingen in het eerste bodemvonnis kan het Opgavebevel niet zo ruim worden uitgelegd. In het eerste bodemvonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat de verhandeling van producten op T1 aan Le Fragrance geen merkinbreuk vormde (r.o. 4.8.), omdat deze producten niet noodzakelijkerwijs in het vrij verkeer van goederen werden gebracht zodat niet was voldaan aan het Class-criterium (r.o. 4.7). Daarnaast is geoordeeld dat de verzending van de Aanbiedingenlijst aan Le Fragrance met het aanbod van demonstratiemodellen wel merkinbreuk vormde, omdat er geen voorbehoud was gemaakt dat dit aanbod uitsluitend de levering van goederen op T1 betrof en de goederen niet in de EU in het vrij verkeer verhandeld mochten worden (r.o. 4.12.). Verder is in het eerste bodemvonnis de gevorderde opgave van voorraadgegevens, verkoopgegevens en afnemers afgewezen, omdat die gegevens ‘niet zien op het aanbieden van demonstratiemodellen’ (4.18). Het eerste bodemvonnis lijkt daarmee innerlijk tegenstrijdig: enerzijds is geoordeeld dat producten met T1 status geen merkinbreuk maakten, anderzijds is opgave bevolen van leveranciers van de productcategorie demonstratiemodellen die is vermeld in de Aanbiedingenlijst, zonder die opgave uitdrukkelijk te beperken tot leveringen van producten in het vrij verkeer van goederen (T0).
5.20.
Daarmee is, in het kader van deze exhibitieprocedure, een beperkte uitleg van het Opgavebevel op zijn plaats. Het Opgavebevel kan tegen deze achtergrond niet zo worden uitgelegd dat het ook leveranties van demonstratiemodellen omvat die Prestige geleverd kreeg op T1 en op T1 weer doorverkocht. In het eerste bodemvonnis is immers in het algemeen geoordeeld dat de verhandeling van parfumflessen op T1 geen merkinbreuk vormt. Een redelijke uitleg van het vonnis houdt daarom in dat de opgaveverplichting zich beperkt tot demonstratiemodellen die zich in het vrij verkeer van de Unie bevinden (T0) of ten aanzien waarvan voldaan is aan het Class-criterium.
5.21.
Een andere lezing van het Opgavebevel zou betekenen dat Prestige, hoewel zij met de demonstratiemodellen met douanestatus T1 geen inbreuk heeft gemaakt in de EU, desalniettemin gehouden zou zijn om aan Coty volledig openheid van zaken te geven over haar wereldwijde handel in demonstratiemodellen van de Coty Merken. Dit zou aan Coty als merkhouder het recht verlenen om haar merkrechten te handhaven ongeacht de niet-communautaire status van die goederen en ongeacht of ze binnen of buiten de EU zijn verhandeld.
Opgavebevel overtreden?
5.22.
Prestige heeft opgegeven dat er geen levering van demonstratiemodellen aan Le Fragrance heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de Aanbiedingenlijst en dat zij in het algemeen ook geen concrete producten kan koppelen aan de Aanbiedingenlijst. Zij heeft vervolgens opgave gedaan van gegevens over verkopen van in totaal 24 demonstratiemodellen op T0, die afkomstig waren van twee leveranciers (zie 3.7). Dit zijn volgens Prestige de enige transacties van demonstratiemodellen in het vrij verkeer van goederen die zij ooit heeft gedaan. Volgens Prestige was dat een onverplichte opgave.
5.23.
Coty voert aan dat Prestige niet volledig voldaan kan hebben aan het Opgavebevel, omdat in de Aanbiedingenlijst onder ‘Available’ aantallen producten zijn vermeld. Daaruit blijkt volgens Coty dat Prestige 706 demonstratiemodellen op voorraad had. Die voorraad is niet in de opgave terug te vinden. Bovendien vallen er onder het bewijsbeslag heel veel documenten die betrekking hebben op demonstratiemodellen. Prestige had ook opgave moeten doen van haar verhandeling van demonstratiemodellen op T1, omdat het eerste bodemvonnis geen onderscheid maakt in de douanestatus T0 of T1.
5.24.
Uit de hiervoor overwogen beperkte uitleg van het Opgavebevel volgt dat het achterwege laten van opgave van gegevens over transacties van demonstratiemodellen op T1, niet betekent dat voldoende aannemelijk is dat Prestige onrechtmatig heeft gehandeld.
5.25.
Prestige heeft bovendien gemotiveerd bestreden dat de op de Aanbiedingenlijst vermelde aantallen gerelateerd kunnen worden aan een daarmee corresponderende werkelijke voorraad en specifieke leveringen. Prestige stelt daartoe dat het op de Aanbiedingenlijst vermelde aantal producten ook producten omvat die zich fysiek niet in de EU bevinden, producten die zij zelf nog niet heeft ingekocht, producten die zich nog op een schip bevinden of die net verkocht en geleverd zijn aan derden. Verder kan zij haar voorraad administratief niet koppelen aan afzonderlijke leveringen. Zij wijst op eerdere zaken waarin op basis van verklaringen van accountants van Grant Thornton hetzelfde verweer is gehonoreerd.
5.26.
Gelet op deze gemotiveerde betwisting door Prestige, vormt de vermelding van ‘Available’ aantallen producten onvoldoende grond voor een redelijk vermoeden dat Prestige het Opgavebevel niet volledig heeft nageleefd door haar handel in producten die zich in het vrij verkeer bevinden (T0) niet volledig op te geven.
5.27.
De slotsom van het voorgaande is dat er geen redelijk vermoeden is dat Prestige onrechtmatig heeft gehandeld met de wijze waarop zij opgave heeft gedaan.
Bescherming van vertrouwelijke informatie
5.28.
Daarnaast staat de bescherming van vertrouwelijke gegevens in de weg aan toewijzing van de vordering. De gevorderde gegevens kunnen immers worden aangemerkt als informatie die bedrijfsvertrouwelijk is. Dat geldt in het bijzonder voor de gegevens over leveranciers en afnemers van Prestige. De vertrouwelijkheid van die gegevens is voor Prestige’s bedrijfsmodel essentieel. Dat geldt net zo goed voor demonstratiemodellen als voor andere parallelhandel.
5.29.
De onduidelijkheden over de inhoud en uitleg van het Opgavebevel vormen aanleiding voor de rechtbank tot terughoudendheid bij het toelaten van exhibitie. Het ligt in dit geval voor de hand dat eerst in appel wordt geoordeeld over het toegewezen Opgavebevel, alvorens te beoordelen of er sprake is van een voldoende vermoeden dat Prestige zich daaraan niet heeft gehouden en daarom, ter onderbouwing van dat vermoeden, recht heeft op de informatie die valt onder haar (ruime) uitleg van het Opgavebevel.
5.30.
Het bedrijfsvertrouwelijke karakter van de gevorderde gegevens zorgt er daarom voor dat Coty, voor zover zij beoogt bewijs te verzamelen voor de gestelde niet-naleving van het Opgavebevel, voorlopig geen rechtmatig belang heeft bij haar exhibitievordering.
Slotsom in conventie
5.31.
Gezien het voorgaande zal de rechtbank alle inzagevorderingen van Coty afwijzen vanwege gebrek aan rechtmatig belang.
In reconventie
Verlofrechter onjuist of onvolledig voorgelicht?
5.32.
Bij schending van artikel 21 Rv kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Dat geldt zeker ook bij een beslagrekest, omdat dat een ex parte procedure is.
5.33.
De rechtbank is van oordeel dat Coty de waarheidsplicht en substantiëringsplicht in het beslagrekest niet zodanig heeft geschonden dat daaraan gevolgen verbonden moeten worden. Dat heeft de volgende redenen.
5.34.
Coty heeft het eerste bodemvonnis als bijlage 1 bij haar verlofrekest gevoegd, zodat de inhoud daarvan voldoende kenbaar was voor de voorzieningenrechter. Daarbij heeft Coty niet alleen haar eigen standpunt over de uitleg van het eerste bodemvonnis en het geschil tussen partijen weergegeven. In de paragrafen 34 tot en met 42 van het beslagrekest is zij ingegaan op het verweer van Prestige en heeft zij haar eigen argumenten ter weerlegging daarvan besproken. Daarbij is ook de brief van 3 juni 2024 (zie 3.7) met het uitgebreide verweer van Prestige als bijlage overgelegd. De voorzieningenrechter beschikte daarmee over voldoende informatie over het verweer van Prestige.
5.35.
Het achterwege laten in het beslagrekest zelf van een uitleg over de merkenrechtelijke kaders en de relevantie van het onderscheid tussen verschillende douanestatussen (T0 of T1) beschouwt de rechtbank niet als een zodanige omissie dat dit in strijd komt met artikel 21 Rv. Daarbij dient bedacht te worden dat het gaat om een beslagrekest dat volgde op een vonnis in een bodemprocedure. Dat vonnis bevatte het Opgavebevel, dat niet uitdrukkelijk is beperkt tot goederen met T0 status. Het betoog van Prestige dat een uitgebreidere uitleg over dit onderscheid ertoe had geleid dat de voorzieningenrechter het verlof niet zou hebben verleend, acht de rechtbank daarom onwaarschijnlijk. Datzelfde geldt voor het gebrek aan informatie over het door Prestige bepleitte onderscheid tussen concrete en abstracte productsoorten.
5.36.
Aan Prestige kan worden toegegeven dat Coty’s stelling in het beslagrekest dat de rechtbank in het eerste bodemvonnis ‘dus duidelijk [heeft] vastgesteld dat het verhandelen van demonstratiemodellen van Coty door Prestige een inbreuk op de Merken oplevert’ geen juiste weergave is van het oordeel in het eerste bodemvonnis. Alleen het gebruik van de Coty Merken in de ongeclausuleerde Aanbiedingenlijst werd immers als inbreukmakend aanbieden beoordeeld. Ook hier geldt echter dat de rechtbank niet inziet dat deze onjuistheid, gezien de toewijzing van het Opgavebevel in het eerste bodemvonnis, tot een afwijzing van het beslagverzoek zouden hebben geleid.
5.37.
De overige onjuistheden en omissies die het beslagrekest volgens Prestige bevat, zijn eveneens meer een weergave van het – naar haar aard partijdige - standpunt van Coty dan ernstige verdraaiingen van feiten of het niet informeren over het standpunt van Prestige.
5.38.
Uit het voorgaande volgt dat de motivering van Coty in het beslagrekest geen grond vormt voor opheffing van het beslag wegens schending van de waarheidsplicht.
Ingeroepen rechten summierlijk ondeugdelijk?
5.39.
Op grond van artikel 705 Rv kan de voorzieningenrechter die verlof tot het beslag heeft gegeven, dit beslag opheffen, onder meer indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt, onverminderd de bevoegdheid van de gewone rechter. Of aan deze grond voor opheffing is voldaan, dient beslist te worden aan de hand van een beoordeling van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd, welke beoordeling niet los kan geschieden van een afweging van de wederzijdse belangen [9] .
5.40.
Gelet op de inhoud van het eerste bodemvonnis en met name de bewoordingen van het Opgavebevel, zijn de door Coty ingeroepen rechten niet summierlijk ondeugdelijk. Zoals in conventie al is overwogen, is het Opgavebevel voor meerdere uitleg vatbaar.
5.41.
Verder is het voortduren van het beslag, nu het eenmaal is gelegd, niet erg belastend voor Prestige. Een bewaarder heeft een kopie van administratieve documenten van Prestige in bewaring. Prestige heeft zelf onverminderd toegang tot die gegevens.
5.42.
Een belangenafweging brengt daarom mee dat het belang van Coty bij het beslag voor bewijsdoeleinden, zwaarder weegt dan het belang van Prestige bij opheffing van het beslag.
5.43.
Op dezelfde gronden slaagt het betoog van Prestige dat het beslag onnodig is evenmin.
5.44.
De reconventionele vordering tot opheffing van het beslag en de vordering tot beëindiging van de bewaring zullen daarom worden afgewezen.
5.45.
Voor zover Prestige al belang zou hebben bij het gevorderde verbod op herhaalde beslaglegging (nu het huidige bewijsbeslag niet wordt opgeheven), volgt uit het voorgaande ook dat er geen grond is voor toewijzing van dat verbod. Subsidiair heeft Prestige nog gevorderd dat Coty wordt bevolen om bij een volgende beslaglegging dit vonnis over te leggen. Omdat Coty in haar eerdere beslagrekest het eerste bodemvonnis heeft overgelegd, ziet de rechtbank geen grond voor de vrees dat Coty bij een eventuele nieuwe beslaglegging, overlegging van dit vonnis achterwege zou laten. Ook de subsidiaire vordering komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking.
5.46.
Prestige vordert tot slot een verklaring voor recht dat Coty aansprakelijk is voor de schade die Prestige door de gelegde beslagen heeft geleden. Artikel 1019g Rv voorziet in de mogelijkheid van een schadevergoeding voor degene die door een beslagmaatregel als hier aan de orde is getroffen, indien het beslag ten onrechte is gelegd of het beslag is opgeheven. Nu de rechtbank het beslag niet zal opheffen, is van een onrechtmatige daad op de door Coty genoemde gronden vooralsnog geen sprake. De vordering onder IV. ligt daarom voor afwijzing gereed. Dit laat vanzelfsprekend onverlet dat Coty risicoaansprakelijk is voor de beslaglegging, zodat zij aansprakelijk kan worden voor schade ten gevolge van het bewijsbeslag, als haar vorderingen ter onderbouwing waarvan het bewijsbeslag bedoeld is in een bodemprocedure worden afgewezen.
Proceskosten in conventie en in reconventie
In conventie
5.47.
Coty zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Prestige. Prestige vordert een volledige proceskostenvergoeding van Coty op de voet van artikel 1019h Rv. Prestige heeft daartoe specificaties overgelegd van haar advocaatkosten (exclusief BTW) van € 80.663,25 in conventie en reconventie. Prestige heeft opgegeven 90% daarvan, € 72.596,92, aan de procedure in conventie te hebben besteed.
5.48.
Coty bestrijdt dat dit de werkelijke kosten in de onderhavige zaak zijn, omdat een deel van de kosten al is gemaakt voor het inhoudelijke verweer tegen de exhibitievordering in kort geding (zie 3.11). Dit verweer slaagt. In die procedure is al een beslissing genomen op de proceskosten die partijen in die procedure hebben gemaakt: de voorzieningenrechter heeft beslist dat iedere partij de eigen kosten zou dragen. Omdat die kosten al waren gemaakt in een andere procedure en in die procedure een proceskostenbeslissing is genomen, kunnen die kosten niet als kosten ten behoeve van deze procedure worden opgevoerd. Dit betreft een bedrag van (€ 33.482,50 x 90% =) € 30.134,25 dat in mindering gebracht dient te worden op de opgegeven kosten, zodat die in conventie uitkomen op € 42.462,67.
5.49.
Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. De onderhavige zaak valt, gelet op het relevante feitencomplex en de grondslagen van de vorderingen en weren, naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie complexe zaak met een maximumtarief van € 40.000,--. De advocaatkosten van Prestige in conventie overstijgen dit tarief, zodat zij tot het maximum van het indicatietarief zullen worden toegewezen.
5.50.
Dit bedrag van € 40.000,-- wordt vermeerderd met het griffierecht van € 688,--, waarmee het bedrag tot zover uitkomt op € 40.688,00.
5.51.
Nakosten behoren tot de proceskosten. De nakosten worden altijd toegewezen, ook als deze niet expliciet zijn gevorderd. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2024 een bedrag van € 278,-- zonder betekening bij een procedure in conventie en reconventie). Dit bedrag wordt onvoorwaardelijk toegewezen, waarmee het totaal aan toe te wijzen proceskosten aan de kant van Coty wordt begroot op (€ 40.688,00 + € 278 =) € 40.966,00. In geval van betekening wordt een extra component aan salaris (een bedrag van € 92,-- extra) en de explootkosten van betekening toegekend. Deze kosten worden voorwaardelijk toegekend, te weten als veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden.
In reconventie
5.52.
In reconventie zal Prestige als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van Coty. Coty vordert eveneens een volledige proceskostenvergoeding van Prestige op de voet van artikel 1019h Rv. Prestige heeft daartoe specificaties overgelegd van haar advocaatkosten (exclusief BTW) van in totaal (in conventie en in reconventie) € 15.680,50.
5.53.
Coty heeft niet aangegeven welk deel van haar proceskosten betrekking hebben op de procedure in conventie en welk deel op de reconventie. De rechtbank gaat in reconventie uit van het indicatietarief voor een normale zaak, gelet op de grondslagen van de vorderingen en weren, met een maximumtarief van € 20.000,--. De rechtbank schat in dat Coty 25% van haar tijd heeft besteed aan de reconventie, zodat (€ 15.680,50 x 25% =) € 3.920,12 advocaatkosten voor vergoeding in aanmerking komen.
5.54.
Coty heeft tevens vergoeding van door haar gemaakte beslagkosten gevorderd. Deze kosten zullen niet in reconventie worden toegewezen, nu Coty deze kosten uitsluitend heeft gemaakt in het kader van haar vorderingen in conventie.
5.55.
De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2024 een bedrag van € 278,00 zonder betekening bij een procedure in conventie en reconventie). Dit bedrag wordt onvoorwaardelijk toegewezen, waarmee het totaal aan toe te wijzen proceskosten aan de kant van Coty wordt begroot op (€ 3.920,12 + € 278 =) € 4.198,12. In geval van betekening wordt een extra component aan salaris (per 1 februari 2024 een bedrag van € 92,00 extra) en de explootkosten van betekening toegekend. Deze kosten worden voorwaardelijk toegekend, te weten als veroordeelde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden.

6.De beslissing

De rechtbank
In conventie:
6.1.
wijst de vorderingen van Coty af;
6.2.
veroordeelt Coty in de proceskosten van Prestige begroot op € 40.966,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Coty niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
In reconventie:
6.3.
wijst de vorderingen van Prestige af;
6.4.
veroordeelt Prestige in de proceskosten van Coty begroot op € 4.198,12, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot de dag der algehele voldoening, en te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Coty niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
In conventie en in reconventie:
6.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.M. Bus, rechter, bijgestaan door mr. E.E. de Vos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 november 2025.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, 15 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7250
2.Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
3.In de jurisprudentie over parallelimport wordt regelmatig douanestatus T1 tegenover douanestatus T2 geplaatst, waarbij met T2 goederen in het vrij verkeer worden aangeduid. In deze procedure heeft Prestige gesteld dat douanestatus T2 specifiek geldt voor accijnsproducten (zoals alcoholhoudende dranken) in het vrij verkeer van goederen in de Unie en dat T0 betrekking heeft op overige goederen zoals parfumflessen. Coty heeft niet bestreden dat die term wordt gebruikt voor goederen in het vrij verkeer van de Unie.
4.Zie HvJ 18 oktober 2005, ECLI:EU:C:2005:616, r.o. 58 – 61 (Class).
5.​Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk.
6.HR 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3304 (AIB/Novisem), r.o. 4.1.5 ., bevestigd in HR 9 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2834 (Synthon/Astellas), r.o 3 .2.1 . en 3 .2.2.
7.Zie het in voetnoot 5 genoemde Class arrest, HvJ 18 oktober 2005, ECLI:EU:C:2005:616, r.o. 44.
8.HR 30 mei 1994, NJ 1994/652 (Van Weezenbeek/HFD).
9.Hoge Raad 14 jun i1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105 (De Ruijterij/MBO-Ruiters).