ECLI:NL:RBDHA:2025:21746
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- I.A.M. van Boetzelaer-Gulyas
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens prematuur ingediende ingebrekestelling bij asielaanvraag
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon die tijdelijk bescherming genoot op grond van zijn relatie met een Oekraïense partner, diende op 15 augustus 2022 een asielaanvraag in. Na beëindiging van de tijdelijke bescherming op 18 juni 2025 diende eiser een ingebrekestelling in op 5 juni 2025, terwijl de beslistermijn op grond van artikel 43a van de Vreemdelingenwet 2000 pas vanaf 18 juni 2025 begon te lopen.
De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend en daarom ongeldig is. Dit betekent dat eiser niet aan de vereiste voorwaarde heeft voldaan om beroep in te stellen tegen het uitblijven van een besluit. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, maar dit heeft geen invloed op de ontvankelijkheid van het beroep.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten zonder zitting, omdat partijen geen zitting wensten. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de minister is niet gehouden tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen vier weken hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens een prematuur ingediende ingebrekestelling.