ECLI:NL:RBDHA:2025:21787

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
NL25.41740 V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring verzet en beroep tegen niet tijdig besluit asielaanvraag met dwangsom

Opposant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op zijn asielaanvraag. De rechtbank had op 25 juli 2025 het beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen. Opposant stelde verzet in tegen deze uitspraak omdat hij meende reeds gehoord te zijn op 13 mei 2025, hetgeen de rechtbank niet had meegenomen.

De rechtbank oordeelt in het verzet dat zij ten onrechte een langere beslistermijn aan de minister had gegeven omdat zij niet op de hoogte was van het gehoor op 13 mei 2025. De rechtbank stelt dat nader onderzoek niet bijdraagt en doet daarom uitspraak op het verzet en het beroep tegelijk.

De rechtbank verklaart het verzet en beroep gegrond, vernietigt de eerdere uitspraak en draagt de minister op binnen acht weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Tevens legt zij een dwangsom van €100 per dag op met een maximum van €15.000 bij overschrijding van deze termijn.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van de proceskosten van opposant, die een professionele juridische hulpverlener inschakelde, voor zowel het verzet als het beroep, totaal €907.

De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier D.A.M. Delger op 29 oktober 2025 en is openbaar bekendgemaakt.

Uitkomst: Verzet en beroep gegrond verklaard, minister opgedragen binnen acht weken besluit te nemen met dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak op verzet

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.41740-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

[opposant] , opposant V-nummer: [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. I. Vreeken),

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposant heeft ingesteld, omdat de minister van Asiel en Migratie (de minister) volgens hem niet tijdig heeft beslist op zijn aanvraag tot het verlenen van een asielaanvraag.
In de uitspraak van 25 juli 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep gegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de minister opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van die uitspraak, een eerste gehoor af te nemen en om binnen acht weken na het eerste gehoor een besluit op de aanvraag bekend te maken. Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Overwegingen

1. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak op 25 juli 2025 gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
2. In deze verzetszaak moet de rechtbank beoordelen of zij op 25 juli 2025 terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dater dus geen zitting nodig was. Oordelend in verzet, kijkt de rechtbank (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank tot het oordeel komt dat de uitspraak van de rechtbank van 25 juli 2025 niet juist was.
Ten aanzien van het verzet
3. Volgens opposant is de uitspraak van 25 juli 2025 niet juist, omdat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat opposant nog niet was gehoord omtrent zijn asielmotieven. Dit was echter wel degelijk al gebeurd en wel op 13 mei 2025. Als gevolg hiervan heeft de rechtbank ten onrechte een langere nadere beslistermijn aan de minister gegeven.
4. De verzetsrechter is het met opposant eens. Ten tijde van de uitspraak van 25 juli 2025 was de rechtbank niet gefaformeerd over het gehoor van 13 mei 2025. Dat neemt niet weg dat de rechtbank in die uitspraak aan de minister ten onrechte een nadere beslistermijn van
zestien weken heeft opgelegd. Het verzet is daarmee kennelijk gegrond. De uitspraak van 25 juli 2025 komt te vervallen.1
Ten aanzien van het beroep
5. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom op grand van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep.
6. Het beroep is gegrond. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken. De rechtbank bepaalt dat de minister een dwangsom van€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van€ 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het verzet en het beroep zijn gegrond.
8. De rechtbank veroordeelt de minister in de door opposant gemaakte proceskosten in verzet. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat opposant een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzetschrift in te dienen. Toegekend wordt € 453,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor van 1).
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser voor zover de minister dit nog niet heeft voldaan, ook een vergoeding voor de proceskosten die hij in beroep heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Toegekend wordt € 453,50 (0,5 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor van
1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart de uitspraak van 25 juli 2025 vervallen;
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vemietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-;
  • veroordeelt de minister tot betaling van de door opposant/eiser gemaakte proceskosten van in totaal € 907.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. D.A.M. Delger, griffier.
1. Artikel 8:55, negende lid, van de Awb.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 29 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u bet niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend, voor zover daarbij is beslist op het verzet.
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, voor zover daarbij is beslist op het beroep, dan kunt u hoger beroep instellen bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. U moet