ECLI:NL:RBDHA:2025:21789

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
20 november 2025
Zaaknummer
NL25.37706
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag mvv nareis gezinshereniging

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor gezinshereniging nareis asiel. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de minister werd opgedragen binnen twintig weken te beslissen. Omdat de minister deze termijn niet heeft gehaald, is het beroep ontvankelijk en gegrond.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet verplicht was eerst een ingebrekestelling te sturen, gezien het ingetrokken besluit van 10 maart 2025. De minister heeft geen verweerschrift ingediend, waardoor onduidelijk blijft wanneer een besluit volgt. Daarom legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn van twee weken op na verzending van deze uitspraak.

Aan deze uitspraak wordt een dwangsom verbonden van €250 per dag overschrijding, met een maximum van €37.500, die ingaat nadat een eerdere dwangsom is verbeurd. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €453,50 vanwege de inschakeling van juridische hulp.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen twee weken alsnog te beslissen, met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.37706
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E. Ceylan), en
de minister van Asiel en Migratie,de minister.

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 10 maart 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen twintig weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op haar aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel (de aanvraag). Eiseres stelt nu beroep in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op haar aanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
2. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen. Eiseres heeft voldoende aangetoond dat zij aan de voorwaarden voor deze vrijstelling voldoet. De rechtbank verleent eiseres daarom vrijstelling van de verplichting om griffierecht te betalen.
3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet warden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
1. Zaaknummer NL24.23405.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
Is het beroep van eiseres ontvankelijk?
4. Soms kan van een betrokkene niet warden verwacht dat hij eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de minister het besluit van 10 maart 2025 heeft ingetrokken en het niet redelijk is om dan van eiseres te verwachten dat zij een ingebrekestelling aan de minister stuurt.
5. De recbtbank stelt verder vast dat eiseres onderbavig beroep beeft ingesteld op 12 augustus 2025. De rechterlijke dwangsom was op dat moment nog niet volgelopen. Bij een beroep tegen bet niet tijdig-nemen van een besluit blijft procesbelang in beginsel bestaan zolang er nog geen besluit is, ook als een eerder opgelegde dwangsom nog niet volledig is verbeurd.4
6. Ondanks dat de recbterlijke dwangsom nog niet volledig is verbeurd en een ingebrekestelling ontbreekt is het beroep van eiseres dus ontvankelijk.
Is het beroep van eiseres gegrond?
7. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
8. De recbtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.5 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.6
9. De minister heeft geen verweerschrift ingediend. Onduidelijk is daardoor wanneer de minister gaat beslissen op de aanvraag. De recbtbank vindt bet passend om te bepalen dat de minister binnen een termijn van twee weken na verzending van de uitspraak moet beslissen.
Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?
10. De recbtbank verbindt aan baar uitspraak een dwangsom overeenkomstig bet beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.7 De rechtbank bepaalt in deze zaak dat de minister een dwangsom van€ 250,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overscbrijdt. Daarbij geldt een maximum van€ 37.500,-. De rechtbank stelt vast dat deze dwangsom begint te !open wanneer de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is verbeurd en de minister op dat moment nog altijd geen besluit heeft genomen op de aanvraag van eiser.
5 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.
6 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.
7 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra­dwangsom.aspx.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 9. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.
12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres ook een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen warden. Toegekend wordt € 453,50 (1 punt voor bet indienen van bet beroepschrift, met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart bet beroep gegrond;
  • vemietigt bet met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van€ 250,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 37.500,-, startend vanaf de dag nadat de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom is verbeurd;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van€ 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. D.A.M. Delger, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
29 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Bent u bet niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.