Op 30 oktober 2025 heeft de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven in een zaak betreffende de voortzetting van een crisismaatregel op basis van artikel 7:7 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De officier van justitie had op 27 oktober 2025 een verzoek ingediend tot voortzetting van de crisismaatregel die eerder op 26 oktober 2025 was genomen. Betrokkene, geboren in 2002, verblijft in een accommodatie en wordt bijgestaan door zijn advocaat, mr. A.A. van Harmelen. Tijdens de mondelinge behandeling op 30 oktober 2025 zijn verschillende partijen gehoord, waaronder de arts-assistent en de moeder van betrokkene. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel voor betrokkene, waaronder levensgevaar en ernstige psychische schade. De rechtbank heeft geoordeeld dat verplichte zorg noodzakelijk is, waaronder het toedienen van medicatie en het verrichten van medische controles. Betrokkene verzet zich tegen de opname en de verplichte zorg, maar de rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn en dat de voorgestelde maatregelen evenredig en effectief zijn. De machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel is verleend voor een periode van drie weken, tot en met 20 november 2025.