3.5.Bewijsoverwegingen
In de onderhavige zaak is sprake van een ontkennende verdachte. Volgens de verdachte hoorde hij [aangeefster] op enig moment in het park schreeuwen en zag hij haar op de grond liggen. Hij zou hebben geprobeerd [aangeefster] te helpen met opstaan, maar dat lukte niet. Vervolgens zou hij zijn weggegaan.
Bewijsminimum
Vooropgesteld wordt dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven
dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde seksuele handelingen:
het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. In het geval dat de veronderstelde dader ontkent, moet de rechter allereerst beoordelen of aan het bewijsminimum is voldaan. De bewijsminimumregel van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering houdt in dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Er moet sprake zijn van steunbewijs, dat afkomstig is van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Uit rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor een bewezenverklaring van de ten laste gelegde handelingen niet is vereist dat die handelingen als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal. Het is voldoende dat de verklaring van de aangever, als die betrouwbaar wordt bevonden, op bepaalde punten bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, afkomstig van een andere bron dan de aangever. Daar staat tegenover dat tussen de verklaring van de aangever en dat overige bewijsmateriaal een niet te ver verwijderd verband mag bestaan.
Betrouwbaarheid verklaring [aangeefster]
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [aangeefster] als betrouwbaar moet worden aangemerkt. Zowel tijdens het informatief gesprek als tijdens haar aangifte heeft zij gedetailleerd en consistent verklaard over hetgeen heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet daarnaast in hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd geen reden om aan de betrouwbaarheid te twijfelen van de verklaring van aangeefster met betrekking tot de verkrachting.
De rechtbank acht de verklaring van [aangeefster] dan ook betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of er voldoende steunbewijs is voor de verklaring van [aangeefster] . De rechtbank beantwoordt deze vraagt bevestigend.
De verdachte heeft verklaard dat hij de persoon is geweest die op 15 juli 2025 in het [park] contact heeft gehad met [aangeefster] . Uit het rapport van het NFI volgt dat er op de linkerborst en op de wang van [aangeefster] een DNA-mengprofiel is aangetroffen. De waargenomen DNA-match van de verdachte is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van de verdachte, dan wanneer het van een willekeurige onbekende persoon afkomstig is. Dit ondersteunt de verklaring van [aangeefster] dat de verdachte met zijn hand haar linkerborst ging knijpen, dat hij zijn hand over haar mond legde en dat zij op een later moment zijn penis tegen haar wang voelde. Gelet op de bewijswaarde van de resultaten van het DNA-onderzoek gaat de rechtbank ervan uit dat voornoemde aangetroffen DNA-sporen afkomstig zijn van de verdachte.
Voorts ondersteunt de letselbeschrijving zoals verwoord in het letselrapportage de verklaring van [aangeefster] . Zo zijn er onder andere krasverwondingen op haar bovenbeen en linkerknie en een verse blauwe plek onder de rechterknie geconstateerd. Uit het letselrapportage volgt dat dit letsel past bij geweldsinwerking vanuit de ondergrond. Dit ondersteunt de verklaring van [aangeefster] dat de verdachte van achter op haar sprong waardoor zij op haar knieën op de grond was gevallen en dat de verdachte haar van achter naar de grond duwde.
Het voorgaande maakt dat de verklaring van [aangeefster] op essentiële onderdelen bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen, die bovendien niet in een te ver verwijderd verband met de verklaring bestaan. Anders dan de raadsman heeft betoogd, doet de omstandigheid dat de deskundigen op basis van de beschikbare bemonsteringen geen conclusies hebben kunnen trekken over de aanwezigheid van DNA in de vagina en de anus van [aangeefster] , daar niet aan af. Dit hoeft immers niet te betekenen dat geen penetratie heeft plaatsgevonden.
Gelet op de betrouwbaarheid van de verklaringen van [aangeefster] , de ondersteuning daarvan door onafhankelijke bevindingen in het dossier en de afwezigheid van contra-indicaties, gaat de rechtbank bij de beoordeling van de tenlastelegging uit van de juistheid van de handelingen die door haar zijn beschreven.
Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario is naar het oordeel van de rechtbank gelet op het hiervoor benoemde steunbewijs ongeloofwaardig en wordt als onaannemelijk terzijde geschoven. Bovendien biedt dit scenario geen enkele verklaring voor het aangetroffen DNA van de verdachte op de linkerborst en op de wang van [aangeefster] .
Verkrachting
Van opzetverkrachting is sprake als de verdachte met een ander seksuele handelingen die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam heeft verricht, terwijl hij
- al dan niet in voorwaardelijke zin - wist dat bij de ander de wil daartoe ontbrak. Van wetenschap van een ontbrekende wil bij de ander is in het algemeen sprake als de ander met duidelijke verbale of non-verbale signalen te kennen heeft gegeven het seksuele contact niet op prijs te stellen en de verdachte het contact toch heeft voortgezet.
Uit de verklaring van [aangeefster] volgt onomstotelijk dat er sprake is van duidelijke verbale en non-verbale signalen dat zij het seksuele contact niet op prijs stelt en dat de verdachte het contact toch heeft voortgezet. [aangeefster] heeft zich van meet af aan heeft verzet tegen de verdachte. Zij heeft geprobeerd de verdachte van haar af te duwen, geschreeuwd, gehuild en om hulp geroepen. Ook heeft zij in de vinger van de verdachte gebeten en in de Engelse taal tegen de verdachte gezegd: “Als je mij verkracht ga ik zelfmoord plegen.”.
Gelet op deze signalen vanuit [aangeefster] is van enig positieve wilsuiting dan ook geen sprake en kan de conclusie niet anders zijn dan dat verdachte wist dat bij [aangeefster] de wil daartoe ontbrak.
Om tot een bewezenverklaring van gekwalificeerde opzetverkrachting te komen moet worden vastgesteld dat de opzetverkrachting werd voorafgegaan, vergezeld of gevolg door dwang, geweld of bedreiging.
De verdachte heeft [aangeefster] onverhoeds van achteren besprongen en naar de grond geduwd. De verdachte is op [aangeefster] gaan zitten, heeft zijn hand op de mond van [aangeefster] gelegd en haar vastgehouden, terwijl zij probeerde weg te komen.
Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van opzetverkrachting voorafgegaan door en vergezeld van dwang en geweld.
Conclusie
De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit, gekwalificeerde opzetverkrachting, wettig en overtuigend bewezen.