Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 in de zaak tussen
[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- Een gespreksverslag met [persoon A] van Artikel 1;
- Een brief van vrienden van de Joodse gemeenschap Utrecht;
- Een brief van [persoon B] (de partner van eiseres);
- Een brief van [persoon C] (een lotsgenoot);
- Een brief van [persoon D] (een vriend van eiseres en haar partner);
- Een brief van [persoon E] (een vriendin van eiseres);
- Pasjes van het COC en foto’s van eiseres met [persoon B].
- Identiteit, nationaliteit en herkomst;
- Identiteitsgroei ten aanzien van de lesbische geaardheid van eiseres.
Is er sprake van identiteitsgroei?8. De term ‘identiteitsgroei’ als zodanig is geen juridische term waaraan wordt getoetst. De term komt ook niet voor in WI 2019/17. Hoewel logisch is dat de minister in het verlengde van geloofszaken bij deze term aansluit is de vraag die de rechtbank moet beantwoorden niet of sprake is van identiteitsgroei, maar of de minister een deugdelijke geloofwaardigheidsbeoordeling heeft verricht. Daarbij dient de vraag beantwoord te worden of de minister de lesbische geaardheid van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Dit betekent dat de rechtbank de vraag of sprake is van identiteitsgroei slechts indirect relevant vindt en niet zal beantwoorden.
10. Eiseres is het hier niet mee eens en betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de identiteitsgroei van eiseres ongeloofwaardig is. Zij betoogt dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat eiseres haar identiteitsgroei alleen baseert op omstandigheden waarvan ook al sprake was ten tijde van haar eerdere procedure. Eiseres wijst erop dat er ook verklaringen van derden zijn overgelegd die ten dele objectieve waarnemingen bevatten over eiseres en haar relaas. Verder betoogt eiseres dat identiteitsgroei wel degelijk kan voortvloeien uit voortzetting van activiteiten en relaties waar ook tijdens de vorige procedure van eiseres al sprake van was. Eiseres wijst op haar relatie met [persoon B] en op het feit dat zij nog steeds deelneemt aan bijeenkomsten van LHBTIQ+-organisaties. Zij wijst er verder op dat sinds haar eerste aanvraag meer dan vier jaar zijn verstreken en dat zich een langzaam proces van identiteitsgroei voordoet, hetgeen de minister ten onrechte niet heeft onderkend. Eiseres heeft naar eigen zeggen in deze procedure verklaard een trotse lesbische vrouw te zijn terwijl dergelijke uitlatingen in haar vorige procedure door eiseres niet zijn gedaan. Eiseres vindt tot slot niet dat zij niet vaag, oppervlakkig en onpersoonlijk heeft verklaard over haar ervaringen en relatie met [persoon B].
Het was een proces. Het begon langzaam. Ik ging een beetje over mijzelf praten en mijn verhaal delen en over mijn vriendin vertellen. Het is niet iets wat op een dag gebeurde. Het is een proces geweest. Ik begon in mijzelf te geloven en trots op mijzelf te zijn.’ [5]
Wat specifiek uit de bijeenkomsten heeft ertoe bijgedragen dat u dit durft? Niet de bijeenkomst in het algemeen, maar wat gebeurde er tijdens de bijeenkomsten waardoor u uw geaardheid wel durft te laten zien?