ECLI:NL:RBDHA:2025:21960

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
NL25.30335
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 31 lid 5 richtlijn 2013/32/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging dwangsom

Eiser heeft op 2 december 2024 een asielaanvraag ingediend bij de minister van Asiel en Migratie. Na het verstrijken van de beslistermijn heeft eiser op 21 juni 2025 een ingebrekestelling gestuurd, waarop de minister niet heeft gereageerd met een besluit. Eiser stelde vervolgens beroep in tegen het niet tijdig beslissen, wat door de rechtbank gegrond werd verklaard.

De rechtbank overweegt dat de minister op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog moet beslissen op de aanvraag. Gezien de omstandigheden en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, wordt een termijn van zestien weken gesteld, tenzij eiser reeds is gehoord over zijn asielmotieven, dan geldt een termijn van acht weken.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100 per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door rechter S.N. Abdoelkadir en griffier J. Dommerholt.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen zestien weken alsnog te beslissen, met een dwangsom en vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL25.30335
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn asielaanvraag.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in deze zaak niet nodig is.
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen. Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van Pro de Awb.
3. Eiser heeft de asielaanvraag ingediend op 2 december 2024. Na het verstrijken van de beslistermijn heeft verweerder op 21 juni 2025 een ingebrekestelling ontvangen. Verweerder heeft vervolgens niet alsnog een besluit genomen. Eiser heeft meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom gegrond.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, moet hij dit alsnog doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet verweerder dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, een andere termijn te geven.
5. Voor zover de maximale beslistermijn van 21 maanden, zoals bepaald in artikel 31, vijfde lid, van de richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn), is verstreken of op korte termijn gaat verstrijken, overweegt de rechtbank dat de besluitvorming op de asielaanvraag te allen tijde op een zorgvuldige manier dient te gebeuren en dat de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraak reeds heeft bepaald binnen welke termijn een zorgvuldig besluit genomen kan worden.
6. Omdat niet is gebleken dat eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, zal de rechtbank in lijn met deze uitspraak van de Afdeling bepalen dat verweerder binnen zestien weken op de asielaanvraag van eiser dient te beslissen. Indien eiser inmiddels wel is gehoord over zijn asielmotieven, dient verweerder binnen acht weken op zijn asielaanvraag te beslissen.
7. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.
8. Eiser krijgt een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. Verweerder moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5. Toegekend wordt € 453,50.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt verweerder op binnen zestien weken dan wel, indien eiser inmiddels is gehoord over zijn asielmotieven, binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.