Partijen zijn bekenden die een overeenkomst sloten voor werkzaamheden aan een dakopbouw. Eiser stelde twee offertes op, waarvan de tweede voor financiering was en extra werkzaamheden bevatte. Gedaagden betaalden een deel van de facturen, maar betwistten betaling van een termijn van €12.585 en weigerden betaling van een factuur voor extra werkzaamheden van €38.151,30.
De rechtbank oordeelde dat gedaagden onvoldoende bewijs leverden voor betaling van de betwiste termijn, ondanks contante opnames en een getuigenverklaring. De extra werkzaamheden waren omvangrijk en konden niet binnen de oorspronkelijke offerte vallen, zodat gedaagden deze moesten betalen. Gedaagden klaagden over gebreken, waarvoor eiser een redelijke hersteltermijn kreeg, maar niet alle gebreken werden verholpen.
Gedaagden lieten de gebreken door een derde herstellen en brachten daarvoor kosten in rekening. Deze herstelkosten werden in mindering gebracht op de toe te wijzen vordering. De rechtbank veroordeelde gedaagden tot betaling van €50.744,24 plus wettelijke rente vanaf 1 juli 2023 en in de proceskosten. De gevorderde beslagkosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.