Eiseres heeft op 22 maart 2024 een asielaanvraag ingediend bij de minister van Asiel en Migratie. Na het verstrijken van de beslistermijn stuurde eiseres op 24 juni 2025 een ingebrekestelling aan verweerder, die vervolgens geen besluit nam. Eiseres stelde hierop beroep in tegen het niet tijdig beslissen, dat door de rechtbank gegrond werd verklaard.
De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen zestien weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen, tenzij eiseres reeds is gehoord over haar asielmotieven, dan geldt een termijn van acht weken. Daarnaast wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000.
Verder wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan eiseres, vastgesteld op € 453,50. De rechtbank ziet af van een zitting en baseert zich op de toepasselijke wettelijke bepalingen en eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.