ECLI:NL:RBDHA:2025:21993

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
NL25.49187
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen uitzetting op grond van afgeleid verblijfsrecht

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een document dat haar afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro bevestigt. Dit bezwaar is ongegrond verklaard in het bestreden besluit van 2 oktober 2025. Verzoekster is tegen dit besluit in beroep gegaan en heeft tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen zolang de beroepsprocedure loopt.

De voorzieningenrechter constateert dat verweerder geen verweer heeft gevoerd tegen het verzoek om voorlopige voorziening. Gezien het rechtmatig verblijf van verzoekster op basis van artikel 8, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000, wordt het verzoek toegewezen als ordemaatregel. Het bestreden besluit wordt geschorst en verzoekster mag niet worden uitgezet tot vier weken na de uitspraak in de beroepsprocedure.

Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster, vastgesteld op € 907, en het griffierecht van € 194. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en het bestreden besluit geschorst, waardoor verzoekster niet mag worden uitgezet tot vier weken na de beslissing op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49187

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster], verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S.J. van der Woude),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

In het besluit van 2 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder verzoekster haar bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag tot afgifte van een document waaruit blijkt dat zij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft beroep (NL25.49185) ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, die inhoudt dat zij de beroepsprocedure in Nederland mag afwachten.
Verweerder is niet ingegaan op het (herhaalde) verzoek van de voorzieningenrechter om een verweerschrift in te dienen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak buiten zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een eventuele bodemzaak niet.
2. Verweerder heeft zich niet verzet tegen het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om bij wijze van ordemaatregel het verzoek toe te wijzen, het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat verzoekster niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat op het beroep is beslist, omdat zij op grond van artikel 8, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig in Nederland verblijft.
3. In de toewijzing van het verzoek ziet de voorzieningenrechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 907, bestaande uit een punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld). Ook dient verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht van € 194 vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
  • treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat op het beroep (NL25.49185) is beslist;
  • veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten ter hoogte van € 907;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194 aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan op 19 november 2025 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.