ECLI:NL:RBDHA:2025:22048

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
09/219680-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 312 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging ISD-maatregel voor diefstal met geweld bij Albert Heijn

De rechtbank Den Haag heeft op 19 november 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die op 22 juli 2025 te Leiden meerdere Nivea-producten uit een Albert Heijn heeft gestolen. Tijdens de diefstal gebruikte zij geweld door frisdrank te gooien en medewerkers en een omstander te duwen om aan de heterdaad te ontkomen.

De bewezenverklaring is gebaseerd op de bekentenis van de verdachte, proces-verbaal van aangifte en bevindingen van de politie. De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen en verklaart de verdachte strafbaar voor diefstal met geweld, gepleegd met het oogmerk om vlucht mogelijk te maken.

Vanwege een strafblad met meerdere eerdere veroordelingen voor winkeldiefstal en een complexe psychiatrische problematiek in combinatie met cocaïneverslaving, acht de rechtbank oplegging van een ISD-maatregel passend. De reclassering concludeert dat intensieve en langdurige hulpverlening noodzakelijk is en dat alleen de ISD-maatregel kan leiden tot stabilisatie en gedragsverandering.

De rechtbank legt de ISD-maatregel voor de maximale duur van twee jaren op, zonder aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis, met het oog op bescherming van de samenleving en het bieden van behandeling aan de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een ISD-maatregel van twee jaren wegens diefstal met geweld en recidive.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/219680-25
Datum uitspraak: 19 november 2025
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] ,
op dit moment zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 5 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Algera en van hetgeen door de verdachte en haar raadsman mr. A.A.G. Balkenende naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
zij op of omstreeks 22 juli 2025 te Leiden, in elk geval in Nederland, meerdere althans een product(en) van Nivea, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Albert Heijn, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [naam 1] en/of een andere medewerker van de Albert Heijn en/of een omstander, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door te gooien met (de inhoud van) een blikje frisdrank in de richting van genoemde [naam 1] en/of een andere medewerker van de Albert Heijn en/of door genoemde [naam 1] en/of een andere medewerker van de Albert Heijn en/of een omstander te duwen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het feit volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025247159, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 51).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 5 november 2025;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] namens Albert Heijn, opgemaakt op 22 juli 2025 (p. 6-10);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 23 juli 2025 (p. 18-20).
3.2.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
zij op 22 juli 2025 te Leiden meerdere producten van Nivea, die aan Albert Heijn toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam 1]
,een andere medewerker van de Albert Heijn en een omstander, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, door te gooien met (de inhoud van) een blikje frisdrank in de richting van genoemde [naam 1] en door genoemde [naam 1]
,een andere medewerker van de Albert Heijn en een omstander te duwen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: de ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met het betrekking tot het opleggen van de ISD-maatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal van een aantal Nivea-producten uit de Albert Heijn. Toen de verdachte betrapt werd op het stelen van deze goederen, gooide de verdachte de inhoud van een blikje frisdrank over de Albert Heijn medewerker die haar staande hield en heeft twee medewerkers en een omstander geduwd. Winkeldiefstal is een hinderlijk feit, waarvan winkeliers en de maatschappij schade en overlast ondervinden. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 oktober 2025, waaruit volgt dat de verdachte in de afgelopen vijf jaren meermalen is veroordeeld voor winkeldiefstal.
ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat de verdachte voldoet aan alle voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel, zoals bepaald in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Er is een vordering van het Openbaar Ministerie tot oplegging van de ISD-maatregel en het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat zij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel of een taakstraf. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft zij gepleegd nadat deze straffen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, aangezien over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen haar zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van het gemotiveerde rapport van GGZ [instelling] (hierna: de reclassering) over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de ISD-maatregel voor de verdachte. Dat rapport van 22 september 2025 is opgemaakt en ondertekend door reclasseringsmedewerker [naam 2] . Ter terechtzitting is [naam 2] als deskundige gehoord.
Uit het rapport blijkt dat bij de verdachte sprake is van een gedrags- en delictpatroon in het plegen van vermogensdelicten. Haar jarenlange cocaïnegebruik in combinatie met de complexe psychiatrische problematiek resulteren in het plegen van strafbare feiten. In 2025 is een zorgmachtiging aan de verdachte opgelegd, welke maatregel ontoereikend is gebleken. Het ontbreken aan probleembesef en -inzicht maakt dat zij snel terugvalt in oude patronen. De verdachte is ook al enkele keren opgenomen geweest met een crisismaatregel, maar wanneer zij stabiliseerde, keerde zij terug in haar oude omgeving en verviel zij al snel in oud gedrag. De reclassering vermoedt dat de verdachte vooral onmachtig is en door haar problematiek niet in staat is om juiste weloverwogen keuzes en beslissingen te maken.
Alle tot nu toe ingezette sancties, maatregelen, aanwijzingen, bijzondere voorwaarden en hulpverlening hebben volgens de reclassering niet geleid tot vermindering van recidive of blijvende gedragsverandering. De reclassering concludeert dat andere hulpverleningsmogelijkheden op dit moment uitgeput zijn en acht een intensieve en langdurige hulpverlening noodzakelijk om de harddrugsverslaving van de verdachte en haar psychiatrische problematiek onder controle te krijgen.
De reclassering is van mening dat enkel de ISD-maatregel kan leiden tot stabilisatie van de problematiek en leefgebieden en het vergroten van de (intrinsieke) motivatie en probleembesef en inzicht van de verdachte. Vanuit deze maatregel kan in eerste instantie ingezet worden op het actualiseren van diagnostiek en van daaruit op hulpverlening en passende (verblijfs)zorg. De onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren wordt door de reclassering daarom als noodzakelijk gezien om een goede behandeling en vervolgtraject van de grond te krijgen.
De rechtbank is van oordeel is dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen. Omdat de verdachte steeds weer overlast en schade veroorzaakt, gaat nu het belang van de samenleving voor. Daarom is het voor de veiligheid van personen en goederen nodig om de ISD-maatregel op te leggen. Daarnaast kan de ISD-maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de verslavingsproblematiek en psychische problemen van de verdachte en om herhaling van delictgedrag na afloop van de ISD-maatregel te voorkomen.
Conclusie
Alles afwegend acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. Voor een optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om de verdachte gelegenheid te geven aan haar problematiek te werken, acht de rechtbank het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 38m, 38n en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt aan de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een
inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur
van 2 (TWEE) JAREN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. I.C. Kranenburg, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. A.J. Nederhoed, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. C.W.I. Ostendorf, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 november 2025.