ECLI:NL:RBDHA:2025:22085

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL25.52542
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in Dublin-zaak over asielaanvraag

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublin-verordening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening beoordeeld zonder zitting en geoordeeld dat nu de hoofdzaak is behandeld (zaaknummer NL25.52541), een voorlopige voorziening niet meer noodzakelijk is.

Daarom is het verzoek afgewezen. Tevens is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan op 20 november 2025 en is definitief, hoger beroep of verzet is niet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is behandeld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52542

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

[V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.52541, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 november 2025 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.