ECLI:NL:RBDHA:2025:22102

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 oktober 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL25.1108
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens twijfel aan doel en terugkeer

Eiseres, een Iraanse vrouw, vroeg een visum kort verblijf aan voor familiebezoek aan haar vader in Nederland, samen met haar minderjarige dochter. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij het doel en de omstandigheden van het verblijf kon waarmaken en er redelijke twijfel bestond over haar terugkeer naar Iran. De minister baseerde dit onder meer op het onrechtmatig gebruik van een eerder visum in 2015 en onvoldoende bewijs van economische en sociale binding met Iran.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht twijfelde aan het doel van het verblijf, mede omdat het verblijf mede bedoeld was om voor de vader te zorgen, terwijl diens medische situatie ook na het beoogde verblijf voortduurt. Daarnaast was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat eiseres een substantieel inkomen uit arbeid in Iran had en dat haar sociale binding, waaronder het huwelijk, voldoende was om tijdige terugkeer te waarborgen.

Eiseres stelde dat zij niet gehoord was in de bezwaarfase, maar de rechtbank vond dat de minister terecht van horen kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiseres kreeg geen vergoeding van kosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.1108
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,

en haar minderjarige dochter,
[minderjarige], V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. W.C. Boelens),
en
de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, (gemachtigde: mr. H.J.J. van Doorn).

Inleiding

1. In uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een visum kort verblijf.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 21 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, meneer [referent] (referent), I. Soltani als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank moet beoordelen of de minister de visumaanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het bestreden besluit
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] 1978 en heeft de Iraanse nationaliteit. Haar dochter is geboren op [geboortedatum 2] 2017 en heeft ook de Iraanse nationaliteit. Op 25 juli 2024 heeft eiseres verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf voor familiebezoek voor haar en haar dochter. Referent in deze procedure is de vader van eiseres, hij woont in Nederland en is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit.
3.1.
De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres volgens hem het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond. In dat kader werpt de minister aan eiseres tegen dat zij in 2015 een visum heeft gekregen, maar deze onrechtmatig heeft gebruikt door asiel aan te vragen. Verder bestaat er volgens de minister redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, omdat niet is gebleken van (voldoende) economische en sociale binding met Iran. Daartoe overweegt de minister dat hij niet kan aannemen of eiseres daadwerkelijk werkzaam is voor de gestelde werkgever en doordat de bedragen genoemd op de loonstroken niet terugkomen op de overgelegde bankafschriften. Op die manier heeft eiseres niet aangetoond dat zij over een substantieel en regelmatig inkomen beschikt dat wordt gegenereerd uit haar gestelde werkzaamheden, en waarover zij vrijelijk beschikt. Ten aanzien van de sociale binding overweegt de minister dat het huwelijk van eiseres onvoldoende garantie biedt voor een tijdige terugkeer in het licht van hetgeen is overwogen ten aanzien van de economische binding. Daarnaast voldoet eiseres volgens de minister ook niet aan het middelenvereiste, omdat de gelden op de gestelde rekening van eiseres niet voldoende herleidbaar zijn. De minister heeft het bezwaar afgewezen als kennelijk ongegrond en eiseres is dus ook niet gehoord.
3.2.
Ter zitting heeft de minister verklaard dat het middelenvereiste niet langer aan eiseres wordt tegengeworpen. De rechtbank zal dit aspect daarom dus buiten beschouwing laten.
Beoordelingskader
4. De weigeringsgronden die zijn opgenomen in artikel 32, eerste lid, van de Visumcode zijn ieder afzonderlijk voldoende om een visum te weigeren. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie bijvoorbeeld het arrest Koushkaki)i beschikt de minister over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van deze weigeringsgronden van toepassing is. De rechter kan het besluit van de minister hierover daarom slechts terughoudend toetsen. Uit het arrest Koushkaki volgt dat de verplichting van de autoriteiten van de lidstaten tot het afgeven van een visum veronderstelt dat er geen redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om tijdig terug te keren. Bij de beoordeling of die twijfel bestaat dienen de autoriteiten rekening te houden met enerzijds de algemene situatie in het land van de aanvrager en anderzijds zijn persoonlijke omstandigheden, met name zijn gezins-, sociale en economische situatie, eventuele eerdere (il)legale verblijven in de lidstaten en de banden met het land waarin hij woont en in de lidstaten. Het is aan de visumaanvrager om informatie te verstrekken die de twijfel kan wegnemen.
Doel en omstandigheden van het beoogde verblijf en twijfel over tijdige terugkeer
5. Bij haar aanvullende beroepsgronden van 25 juli 2025 heeft eiseres nadere stukken overgelegd. Ten aanzien van die stukken overweegt de rechtbank dat zij haar overwegingen alleen baseert op feiten en omstandigheden die bestonden bij het nemen van het bestreden besluit (de
ex-tunc-toetsing). Nu de minister echter inhoudelijk op deze stukken heeft gereageerd bij het verweer van 6 augustus 2025, zullen deze ook bij de beoordeling van de rechtbank worden betrokken.
5.1.
Eiseres stelt ten eerste dat het doel van haar visumaanvraag – familiebezoek aan haar vader – voldoende onderbouwd is met documenten. Ze wijst erop dat haar vader eenzaam is, gezondheidsproblemen heeft en haar om die reden graag wil zien. Volgens haar is het onterecht dat de minister twijfelt aan haar oprechte bedoelingen, alleen omdat ze in 2015 na binnenkomst met een visum een verblijfsaanvraag deed. Verder stelt eiseres dat de minister haar aanvraag niet zorgvuldig heeft beoordeeld door alleen te twijfelen aan de economische binding met Iran omdat eiseres haar beroep niet zou hebben ingevuld op de vragenlijst bij de aanvraag en geen bewijs van haar salarisoverboekingen heeft overgelegd. Eiseres wijst erop dat zij een werkgeversverklaring en loonstroken heeft overgelegd. Zij stelt dat als de minister aanvullende stukken nodig had gehad, de minister dit bij eiseres had moeten opvragen. De suggestie dat haar onroerend goed geen binding oplevert, acht eiseres onjuist, aangezien dit expliciet als relevant document wordt genoemd in Bijlage II B van de Visumcode. Wat betreft haar sociale binding voert eiseres aan dat haar huwelijk en het feit dat haar man in Iran achterblijft juist sterke redenen voor haar zijn om tijdig terug te keren. Volgens eiseres weegt de minister dit onvoldoende mee in zijn besluitvorming en wordt er niet gemotiveerd waarom het huwelijk niet als sterke binding geldt.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eiseres het doel en de omstandigheden voor haar beoogde verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft de minister mogen betrekken dat eiseres heeft verklaard dat zij voor een familiebezoek van 62 dagen naar Nederland wil komen, terwijl uit de door haar overgelegde verklaring van de arts van referent van 13 juni 2024 volgt dat haar verblijf mede bedoeld is om voor referent te zorgen. De rechtbank acht het niet onterecht dat de minister daarbij vraagtekens heeft gezet, nu de medische situatie van referent na afloop van de genoemde periode niet zal eindigen. Dit roept namelijk twijfels op of het door eiseres gestelde doel van het verblijf overeenkomt met de feitelijke omstandigheden. De minister heeft daarbij ook in aanmerking mogen nemen dat eiseres in 2015 reeds op een visum naar Nederland is gereisd en daar onrechtmatig gebruik van heeft gemaakt door nadien tweemaal een asielaanvraag in te dienen, waarbij zij destijds niet tijdig is teruggekeerd.
5.3.
De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom er sprake is van twijfel over het voornemen van eiseres om Nederland te verlaten vóór afloop van de geldigheidsduur van het aangevraagde visum. Zo heeft eiseres wel een werkgeversverklaring overgelegd, maar heeft zij niet toegelicht welk beroep zij uitoefent en voor welke werkgever zij werkzaam is. Daarnaast heeft zij loonstroken, bankafschriften en bewijsstukken van stortingen overgelegd, maar de minister heeft terecht opgemerkt dat uit deze stukken niet blijkt van een aanwijzing dat deze stortingen het gevolg zijn van inkomsten gegenereerd uit de gestelde werkzaamheden. Het gestelde salaris is op de bankafschriften evenmin terug te vinden, waardoor niet aannemelijk is geworden dat eiseres daadwerkelijk inkomsten uit arbeid genereert. De minister heeft daarnaast terecht overwogen dat de overgelegde eigendomsakte van de woning van eiseres, het koopcontract en een eigendomsakte van een auto in Iran niet zonder meer economische binding opleveren die tijdige terugkeer waarborgt. Het onroerend goed kan immers ook worden beheerd vanuit het buitenland. Ten aanzien van de sociale binding heeft eiseres enkel gesteld dat zij getrouwd is en dat haar echtgenoot in Iran verblijft. Dit gegeven, in samenhang met de minimale economische binding, acht de minister terecht onvoldoende om aan te nemen dat eiseres na afloop van het visum naar Iran zal terugkeren. Daarbij betrekt de rechtbank dat het visum mede is aangevraagd voor de dochter van eiseres, zodat alleen haar echtgenoot achterblijft in Iran. Niet is gebleken dat hij afhankelijk van eiseres is of dat zij andere zwaarwegende maatschappelijke of zorgverplichtingen in Iran heeft die een tijdige terugkeer noodzakelijk maken.
5.4.
Gelet op het voorgaande, en bezien in onderlinge samenhang, oordeelt de rechtbank dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er twijfel bestaat over het doel en de omstandigheden van het beoogde verblijf en of eiseres het grondgebied van de lidstaten zal verlaten vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van het aangevraagde visum.
Hoorplicht
6. Verder stelt eiseres dat de minister haar ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase. De motivering waarom haar visum is geweigerd werd pas duidelijk in het besluit op bezwaar, waardoor zij eerder geen kans had om gerichte informatie aan te leveren, waaronder SSO-records. Omdat zij geen professionele rechtsbijstand had, mocht de minister er volgens haar niet van uitgaan dat zij wist welke bewijsstukken precies nodig waren. Een hoorzitting had dit kunnen verhelderen en bijgedragen aan een zorgvuldige beoordeling van haar bezwaar. In dat kader beroept eiseres zich in de aanvullende beroepsgronden van 25 juli 2025 op het
equality of arms-beginsel.
6.1.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen.ii Het horen in bezwaar vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit.iii Gelet op hetgeen overwogen in rechtsoverwegingen 5.2 en 5.3 is er van een dergelijk geval geen sprake. Immers, aan eiseres is in bezwaar de gelegenheid geboden om haar visumaanvraag nader te onderbouwen. Daarvoor heeft de minister aan eiseres een ‘Vragenlijst visumaanvraag’ toegezonden. Deze vragenlijst bevat een toelichting over welke bewijsstukken moeten worden overgelegd, waaronder SSO-recordsiv, zoals de minister terecht stelt in zijn verweer van 6 augustus 2025. Dat eiseres geen professionele juridische bijstand heeft gehad tijdens haar bezwaar om haar op de bewijsstukken te wijzen, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit voor haar eigen rekening en risico komt. Op grond van wat namens eiseres in bezwaar is aangevoerd en overgelegd over haar doel, omstandigheden, economische en sociale binding met Iran en de daaruit af te leiden twijfel over haar tijdige terugkeer, was het meteen duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Daarom heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, waardoor van horen mocht worden afgezien.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
01 oktober 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
i ECLI:EU:C:2013:862.
iv Dat blijkt uit de volgende informatiewebpagina:
[internetsite],waarnaar verwezen wordt op pagina 9 van de vragenlijst.