ECLI:NL:RBDHA:2025:22149
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang asielzoeker niet-ontvankelijk
Verzoeker, houder van een asielvergunning voor bepaalde tijd, werd geïnformeerd dat zijn opvang en verstrekkingen op grond van de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 zouden worden beëindigd omdat passende huisvesting buiten de opvang was gerealiseerd. Verzoeker werd vervolgens uitgeschreven en opvang beëindigd. Hij maakte bezwaar tegen deze feitelijke handeling en verzocht om een voorlopige voorziening om terugplaatsing in opvang.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de aanzegging van beëindiging geen besluit is in de zin van artikel 1:3 Awb Pro, maar een mededeling van rechtsgevolgen voortvloeiend uit het verblijfsvergunningbesluit. De beëindiging van verstrekkingen volgt van rechtswege en de periode waarin verzoeker nog verstrekkingen ontving, was buitenwettelijk.
Omdat het bezwaar niet gericht is tegen een appellabel besluit en er geen connexiteit is tussen bezwaar en verzoek, wordt het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat geen besluit in de zin van de Awb is genomen.