Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
internationalebescherming, waaronder moet worden verstaan de vluchtelingenstatus én de subsidiaire beschermingsstatus. Dit volgt uit de definitie van internationale bescherming in de Kwalificatierichtlijn (artikel 2, aanhef en onder a) en in de Procedurerichtlijn (artikel 2, aanhef en onder i). De omstandigheid dat het Hof in voornoemd arrest regelmatig spreekt over de ‘vluchtelingenstatus’ komt naar het oordeel van de rechtbank veeleer door het feit dat, zoals hiervoor al aan de orde is gekomen, de vreemdeling in de zaak die heeft geleid tot de prejudiciële vragen de vluchtelingenstatus had in een andere lidstaat. Bovendien heeft het Hof het in het arrest eveneens vaak over internationale bescherming, zonder dit te beperken tot enkel de vluchtelingenstatus. De rechtbank merkt in dat kader nog op dat ook de minister zelf in het Informatiebericht 2024/37, dat is uitgebracht naar aanleiding van dit arrest, ervan uitgaat dat het arrest betrekking heeft op door een andere lidstaat verleende internationale bescherming en dus
zonderdaarbij het onderscheid in statussoort te betrekken. Sterker nog, het woord ‘vluchtelingenstatus’ komt in dit hele informatiebericht niet voor. De rechtbank ziet geen enkel aanknopingspunt voor het standpunt van de minister dat het oordeel van het Hof uitsluitend betrekking heeft op de vluchtelingenstatus in een andere lidstaat en dat deze uitleg niet ook van toepassing is op de situatie waarin sprake is van een subsidiaire beschermingsstatus in een andere lidstaat.
internationalebescherming van dezelfde vreemdeling. Anders dan de minister lijkt te suggereren, wordt daarbij door het Hof geen onderscheid gemaakt tussen de vluchtelingenstatus en subsidiaire bescherming.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt de minister tot betaling van de proceskosten tot een bedrag van € 1.814,00.