ECLI:NL:RBDHA:2025:22152

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL24.39601
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een jezidi uit de Sinjar-regio en de beoordeling van de normale woon- of verblijfplaats in de Koerdische Autonome Regio

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 24 november 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, een jezidi afkomstig uit de Sinjar-regio in Irak, behandeld. Eiser had op 6 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Asiel en Migratie op 9 oktober 2024 werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister niet voldoende heeft gemotiveerd waarom de Koerdische Autonome Regio (KAR) sinds medio 2024 als normale woon- of verblijfplaats voor jezidi's uit de Sinjar-regio kan worden aangemerkt. De rechtbank concludeert dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de redenen zijn voor deze beleidswijziging, en dat de situatie in de KAR voor jezidi's niet is verbeterd. De rechtbank verklaart het beroep van eiser gegrond, vernietigt het besluit van de minister en draagt de minister op om binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten vastgesteld op € 2.721,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39601

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Roelofsen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk krijgt wat betreft de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas, maar dat hij wel gelijk heeft dat de minister niet inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom sinds medio 2024 de KAR [1] door de minister als normale woon- of verblijfplaats wordt aangemerkt van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar-regio. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 6 januari 2022 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 9 oktober 2024, in de algemene procedure, afgewezen als ongegrond. Daarbij heeft de minister bepaald dat eiser binnen vier weken moet terugkeren naar Irak. Eiser heeft een beroepschrift ingediend en in aanvullende beroepsgronden aangegeven dat hij in het huwelijk is getreden. De minister heeft naar aanleiding hiervan op 1 mei 2025, een aanvullend besluit genomen, dat abusievelijk is gedateerd op 11 oktober 2024. Eiser heeft de gronden van beroep verder aangevuld en de minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft eiser nog belang bij beoordeling van het besluit van 9 oktober 2024?
3. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb [2] heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
3.1.
De rechtbank overweegt dat de minister het bestreden besluit van 9 oktober 2024 heeft vervangen door het besluit van 1 mei 2025, waarbij de minister het besluit voor wat betreft de vraag of het in strijd is met artikel 8 van het EVRM [3] heeft gewijzigd. Niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het eerste bestreden besluit. De inhoud van het besluit van 9 oktober 2024 is namelijk volledig opgenomen in het besluit van 1 mei 2025. Om deze reden wordt het beroep van eiser voor zover gericht tegen het eerste bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard.
3.2.
Vanwege het indienen van een beroepschrift tegen het eerste bestreden besluit en de toepassing van artikel 6:19 van de Awb, heeft eiser recht op vergoeding van de hiermee verband houdende proceskosten. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen is overwogen onder punt 12.
Beroep tegen het vervangend besluit van 1 mei 2025
Het asielrelaas
4. Eiser heeft de Iraakse nationaliteit en behoort tot de jezidi’s. Hij is afkomstig uit de Sinjar-regio in Irak. In 2014 is eiser vandaar gevlucht toen de milities van Islamitische Staat (IS) de aanval openden op de jezidi’s. Eiser is naar Zakho in de KAR gegaan. In het begin is eiser in een schoolgebouw ondergebracht en vervolgens werd eiser opgevangen in een kamp. Eiser is daar tot 2019 gebleven en is vervolgens naar Suleimaniya gegaan. Daar was eiser werkzaam in een loods van waaruit alcohol werd gedistribueerd. Hierom en vanwege zijn etniciteit is eiser meermaals bedreigd en uitgescholden door mensen uit de buurt. Na de derde bedreiging heeft hij Irak in 2021 verlaten. Daarnaast hebben leden van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) eiser aangesproken bij een controlepost en moest hij deelnemen aan de PKK. Dit heeft hij geweigerd. Hij heeft sindsdien niets meer van de PKK gehoord. Eiser meent dat hij als jezidi in Irak nergens veilig is.
Wat heeft de minister besloten?
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende motieven:
1) identiteit, nationaliteit en herkomst;
2) de gestelde problemen op het werk.
De minister heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De gestelde problemen op het werk zijn niet geloofwaardig geacht. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser hiermee niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw. [4]
5.1.
Dat eiser uit Irak komt en behoort tot de jezidi’s is op zichzelf niet voldoende om als vluchteling te worden aangemerkt of om te concluderen dat er een risico bestaat op ernstige schade. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen.
Is het onredelijk om het huidige beleid voor jezidi’s toe te passen?
Wat vinden partijen?
6. Eiser wijst erop dat hij in 2022 asiel heeft aangevraagd, dat de minister nu pas met een besluit komt en dat het eerdere beleid voor jezidi’s uit Irak gunstiger was. In het oude beleid werden jezidi’s namelijk aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep. Volgens eiser is hij door het forse tijdsverloop in een slechtere positie gebracht. Eiser heeft met een beroep niet tijdig beslissen [5] de minister moeten dwingen een beslissing te nemen. Eiser vindt dit kennelijk onredelijk.
6.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat als uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. Ten aanzien van dit betoog oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank wijst op de uitspraak van deze zittingsplaats van 4 februari 2025. [6] In beginsel moet worden uitgegaan van het op het moment van het nemen van het besluit geldende recht. De enkele omstandigheid dat een belanghebbende door toepassing van nieuw recht in een ongunstiger positie komt, is onvoldoende om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank ziet in het tijdsverloop tussen de aanvraag en het bestreden besluit geen bijzondere omstandigheid om van dit uitgangspunt af te wijken. Niet gebleken is dat de beslissing is uitgesteld vanwege het voornemen om de rechten van eiser te frustreren. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om op basis van algemene beginselen van behoorlijk bestuur de minister op te dragen oud beleid toe te passen. Het ten tijde van de aanvraag geldende beleid betekende ook niet per definitie dat een vergunning zou worden verleend.
Heeft de minister de gestelde problemen op het werk niet geloofwaardig mogen vinden?
Wat vinden partijen?
8. Eiser meent dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij inconsistent heeft verklaard over het aantal mannen dat hem lastigviel. Eiser neemt aan dat de minister zijn betoog in de correcties en aanvullingen en de zienswijze op dit punt in het besluit kennelijk heeft gevolgd.
8.1.
Wat betreft de tegenwerping dat eiser vage verklaringen heeft afgelegd over het hulp zoeken na de bedreigingen, voert eiser aan dat iemand als eigenaar van een bedrijf – en dus van een hogere “standing” – mogelijk meer succes heeft bij het doen van aangifte dan magazijnarbeiders en medewerkers. Dat de eigenaar zelf ook werd bedreigd, doet daar volgens eiser niet aan af. De minister neemt eisers verklaringen te letterlijk en zoekt naar inconsistenties die er niet zijn.
8.2.
Dat is ook het geval met betrekking tot de tegenwerping dat eiser in dienst is gebleven ondanks de bedreigingen. De eigenaar kan natuurlijk zijn hoop uitspreken dat ze niet opnieuw bedreigd zullen worden, maar hij kan ook niet in de toekomst kijken. Dat de eigenaar zelf ook bedreigd werd, zal de hoop dat er een einde komt aan de bedreigingen alleen maar groter hebben gemaakt.
8.3.
Wat betreft de videobeelden legt eiser uit dat hij verschillende gedachten had. Hij wilde in eerste instantie aangifte doen en daarom heeft hij de videobeelden opgevraagd. Maar eiser heeft zich bedacht en durfde geen aangifte meer te doen. Eiser meent dat niet aan hem kan worden tegengeworpen dat hij de videobeelden niet aan zichzelf heeft gemaild. Er bestond geen aanleiding om aan te nemen dat hij zijn telefoon kwijt zou raken. De minister heeft ten onrechte nagelaten om te onderzoeken of e-mailen überhaupt mogelijk was voor eiser, te meer, omdat eiser heeft aangegeven niet te weten hoe e-mail werkt.
8.4.
De minister meent dat eisers gronden geen nieuw licht op de zaak werpen. De minister heeft in het voornemen aangevoerd dat eiser inconsistent is over het aantal mannen dat hem lastigviel. Eiser heeft verklaard dat hij driemaal is benaderd in de nacht. De tweede keer zelfs door tien personen. Vervolgens heeft eiser verklaard dat hij de derde keer door tien mannen werd benaderd. Als eiser hiermee wordt geconfronteerd verklaart hij dat er alleen de laatste keer tien mensen waren die hem wilden aanvallen. Verwacht mag worden dat eiser consistent is in zijn verklaringen. Weliswaar is in de correcties en aanvullingen over de tweede bedreiging aangegeven dat “10 man moet 7 man zijn”, maar de minister meent dat terecht is aangegeven dat eiser consistent moet zijn in zijn verklaringen, zeker nu de aanvallen de reden zijn geweest om Irak te verlaten.
8.5.
Ten aanzien van het zoeken van hulp handhaaft de minister het standpunt dat eiser hierover vage en inconsistente verklaringen heeft afgelegd. Van eiser mag worden verwacht dat hij, wanneer hij vreest voor zijn leven, zelf probeert aangifte te doen en niet enkel afgaat op hetgeen zijn baas zegt over het doen van aangifte; namelijk dat aangifte door de politie alleen serieus wordt genomen als deze wordt gedaan door de eigenaar. Dit te meer, nu ook de eigenaar werd bedreigd en deze zelf ook geen aangifte deed. Eiser had de verklaringen van de eigenaar in twijfel moeten trekken, omdat de informatie van de eigenaar onsamenhangend was.
8.6.
Volgens de minister blijft staan dat eiser vaag heeft verklaard over waarom hij bij de loods bleef werken, terwijl hij meermaals met wapens is bedreigd. De enkele opmerking dat de eigenaar had aangegeven dat het niet meer ging gebeuren vindt de minister daarvoor onvoldoende. De minister vindt dat van eiser verwacht mag worden dat hij op zijn minst zou vragen hoe zijn baas wist dat er geen bedreigingen meer zouden volgen en dat hij de verklaringen van de eigenaar in twijfel zou trekken. Eiser wist immers dat de eigenaar ook bedreigd werd en geen aangifte deed. De minister meent dat de verklaringen over de eigenaar alleen berusten op speculatie en vermoedens.
8.7.
De minister heeft tot slot aangevoerd dat eiser vage en inconsistente verklaringen heeft afgelegd over het verloren gaan van de videobeelden. Ondanks dat het mogelijk is dat eiser eerst om de videobeelden vroeg en vervolgens afzag van het doen van aangifte, mocht van eiser verwacht worden dat hij de beelden op een andere plek dan op zijn telefoon zou bewaren. Eiser had de beelden naar zichzelf kunnen mailen of per telefoon naar zijn ouders kunnen sturen. Dit geldt te meer, omdat volgens eisers verklaringen de bedreigingen de reden van zijn vertrek zijn geweest en hij heeft aangegeven dat hij de beelden wilde bewaren om als bewijs te kunnen tonen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het aantal mannen dat eiser heeft aangevallen
9. De rechtbank stelt eerst vast dat de minister op de zitting heeft aangegeven dat het standpunt wat betreft het aantal mannen niet is vervallen, dat de minister in het (tweede) bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op wat eiser hierover in de zienswijze heeft aangevoerd, maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd.
9.1.
Anders dan de minister is de rechtbank van oordeel dat dit motiveringsgebrek niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. Er is sprake van een gebrek dat hersteld moet worden. De minister heeft immers verzuimd om te reageren op dat wat eiser op dit punt in de zienswijze heeft gesteld. Een gebrek dat herstel behoeft leent zich in beginsel niet voor toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Dat betekent dat het beroep gegrond is en het besluit voor vernietiging in aanmerking komt.
9.2.
Op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb kan de bestuursrechter bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank beoordelen of daartoe aanleiding bestaat, gelet op de in het verweerschrift opgenomen en ter zitting gegeven aanvullende motivering. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser niet ten onrechte niet heeft gevolgd in zijn betoog dat hij niet inconsistent heeft verklaard over het aantal mannen dat hem heeft lastiggevallen. Daartoe overweegt de rechtbank dat de omstandigheid dat eiser in de correcties heeft aangegeven dat “10 man moet 7 man zijn” dit niet anders maakt. De correctie dat “10 man moet 7 man zijn” verduidelijkt nog steeds niet hoeveel mannen eiser tijdens welke aanval hebben lastig gevallen. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat van eiser mag worden verwacht dat hij consistent is in zijn verklaringen op dit punt, zeker omdat de aanvallen de reden waren om Irak te verlaten.
Het zoeken van hulp na de aanvallen
9.4.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onechte op het standpunt heeft gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij niet alleen uitgaat van wat hij van de eigenaar heeft gehoord over het doen van aangifte op het moment dat hij voor zijn leven vreest. De enkele inschatting van eiser dat de eigenaar van het bedrijf mogelijk meer succes zou hebben bij een aangifte, maakt dat oordeel niet anders. De eigenaar deed immers ook geen aangifte van de bedreiging die hij zelf ontving. Eiser had de verklaring van de eigenaar daarom in twijfel moeten trekken. De enkele stelling van eiser op de zitting dat in Irak bescherming vragen geen zin heeft, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Daartoe overweegt de rechtbank dat de minister eiser niet heeft tegengeworpen dat hij geen hulp heeft gevraagd, maar dat hij daarover vaag en inconsistent heeft verklaard.
Het in dienst blijven bij de werkgever
9.5.
Het betoog van eiser dat de minister de verklaringen over het in dienst blijven te letterlijk neemt en zoekt naar inconsistenties, treft ook geen doel. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij op zijn minst zou vragen hoe zijn baas wist dat de bedreigingen zouden ophouden, omdat eiser wist dat de eigenaar ook bedreigd werd maar geen aangifte deed, zodat niet viel in te zien waarom de bedreigingen zouden ophouden. De minister heeft op goede gronden overwogen dat eiser vaag heeft verklaard over waarom hij in de loods bleef werken.
Het verloren gaan van de videobeelden
9.6.
Het betoog van eiser zoals weergegeven onder 8.3. volgt de rechtbank evenmin. De stelling van eiser dat hij verschillende gedachten had doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat eiser enerzijds heeft verklaard dat hij aangifte wilde doen en juist daarom de videobeelden heeft opgevraagd en anderzijds heeft verklaard dat hij geen aangifte durfde te doen. Daarbij is van belang dat eiser tijdens het gehoor niet heeft uitgelegd waarom hij in eerste instantie wel aangifte wilde doen, maar daar later toch uit angst van heeft afgezien. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister eiser niet ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij vaag heeft verklaard over waarom hij de videobeelden niet meer in zijn bezit heeft. Eisers stelling dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij de videobeelden niet aan zichzelf heeft gemaild, omdat hij niet weet hoe e-mail werkt, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft de videobeelden immers wel gevraagd en digitaal ontvangen, zodat niet valt in te zien waarom de minister zich niet op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat van eiser mag worden verwacht dat hij de videobeelden zorgvuldig had bewaard.
9.7.
De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde problemen op het werk niet geloofwaardig zijn, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser voldoet hiermee niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Komt eiser vanwege zijn jezidi-afkomst voor een asielvergunning in aanmerking?
Wat vinden partijen?
10. Eiser wijst wat betreft de situatie van jezidi’s op de brieven van Vluchtelingenwerk van 8 oktober 2024 en 3 december 2024. Jezidi’s hebben te maken met haat zaaien, discriminatie, bedreigingen en geweld en zij leiden een gemarginaliseerd bestaan. Eiser kan niet terug naar de Sinjar-regio. Ook wijst eiser in de aanvullende gronden op uitspraken waarin is ingegaan op de positie van jezidi’s in de Sinjar-regio en in de KAR.
10.1.
De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit dat eiser uit Irak komt en behoort tot de jezidi’s op zichzelf niet voldoende is om als vluchteling aangemerkt te worden of om te concluderen dat voor eiser een reëel risico op ernstige schade bestaat. Eiser behoort niet tot een risicoprofiel en hij behoort niet tot een groep die systematisch wordt blootgesteld aan ernstige schade. De minister wijst op een brief aan de Tweede Kamer van 27 mei 2024 [7] over het landenbeleid van Irak. Voor Irak wordt niet aangenomen dat sprake is van een dermate hoog niveau van willekeurig geweld dat een reëel risico dreigt op ernstige schade, als bedoeld in artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt voor federaal Irak maar ook voor de KAR. In het verweerschrift heeft de minister aangegeven dat met de beleidswijziging ook het aanmerken van jezidi’s als kwetsbare minderheidsgroep is komen te vervallen. De KAR wordt als normale woon- en verblijfsplaats aangemerkt voor een jezidi die oorspronkelijk afkomstig is uit Centraal-Irak, in het verleden naar de KAR is gevlucht en die voor zijn komst naar Nederland in de KAR heeft verbleven. Indien er aanknopingspunten zijn om de KAR als normale woon- en verblijfplaats aan te merken (bijvoorbeeld vanwege langdurig verblijf zonder asielrechtelijke problemen) kan worden getoetst of een jezidi bij terugkeer naar de KAR heeft te vrezen heeft voor vervolging of daar een reëel risico loopt op ernstige schade.
10.2.
In het geval van eiser meent de minister dat de KAR als normale woon- en verblijfplaats is aan te merken, omdat uit de verklaringen van eiser naar voren komt dat hij vanaf 2019 zijn leven in Suleimaniya heeft geleid. Hij verbleef daar en werkte daar tot aan zijn vertrek uit Irak. Niet valt in te zien dat Sinjar als eisers woon- en verblijfplaats aangemerkt zou moeten worden. De veiligheidssituatie in Sinjar is daarom, naar het oordeel van de minister, in deze procedure niet relevant. De uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 februari 2025 [8] gaat in het geval van eiser niet op, omdat eiser vanaf 2019 zelfstandig in Suleimaniya verbleef en niet in een kamp.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
11. De rechtbank stelt vast dat de minister in de besluitvorming in het midden heeft gelaten wat als normale woon- of verblijfplaats voor eiser wordt aangemerkt. Pas in het verweerschrift heeft de minister Suleimaniya, gelegen in de KAR, als normale woon- of verblijfplaats van eiser aangemerkt. Ook heeft de minister zich pas in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat wat over de Sinjar-regio is gesteld daarmee niet relevant is voor de beoordeling van de aanvraag van eiser. Dat betekent dat het bestreden besluit ook op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
11.1.
De rechtbank zal daarom de vraag moeten beantwoorden of de minister zich met deze aanvullende motivering terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser Suleimaniya in de KAR als normale woon- en verblijfplaats is aan te merken. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. De rechtbank legt dat hieronder uit.
11.2.
In eerder genoemde uitspraak [9] van 4 februari 2025 zijn in overweging 7.6 de antwoorden van de toenmalige staatssecretaris op Kamervragen over de situatie in de KAR weergegeven. Deze luiden:
“Van belang bij de vraag of een gebied waar een jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als de normale woon- of verblijfplaats is of de jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren. Gelet op recente informatie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken zie ik dat dit niet geldt voor jezidi’s die uit andere delen van Irak naar de KAR zijn gevlucht. De ontheemde jezidi’s hebben het bovengemiddeld zwaar in de KAR. Dat betekent dat voor jezidi’s die afkomstig zijn uit andere delen van Irak en die zijn gevlucht naar de KAR en daar voor hun komst naar Nederland verbleven hebben, ik bij de beoordeling van hun asielaanvraag de KAR niet (langer) aanmerk als hun normale woon- of verblijfplaats.”
11.3.
Onder 7.7 van de eerder genoemde uitspraak is vermeld dat in het oude informatiebericht (IB) 2020/9 over jezidi’s afkomstig uit centraal Irak met verblijf in de KAR het volgende is neergelegd:
“Indien een jezidi afkomstig is uit centraal Irak (veelal Sinjar) en hij voorafgaand aan het vertrek uit Irak in de KAR heeft verbleven, wordt de KAR niet als vaste woon- en verblijfplaats aangemerkt. (…) Dat de KAR niet als vaste woon- en verblijfplaats zal worden aangemerkt, betekent dat er in deze gevallen getoetst zal worden aan centraal Irak.”
11.4.
Onder 7.8 van de eerder genoemde uitspraak is ten aanzien van het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2021/113 weergegeven:
“De IND merkt bij de beoordeling van de asielaanvraag de KAR niet aan als de gebruikelijke woon- of verblijfplaats voor jezidi’s als deze:
- afkomstig zijn uit Irak (m.u.v. de KAR);
- zijn gevlucht naar de KAR; en
- daar voor hun komst naar Nederland hebben verbleven.”.
11.5.
Vervolgens heeft de rechtbank in de genoemde uitspraak onder 9.2.3. het volgende geoordeeld:
“Niet inzichtelijk is gemotiveerd wat nu heeft gemaakt dat sinds medio 2024 anders wordt aangekeken tegen het aanmerken van tentenkampen in de KAR als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. Het destijds, in 2019, geïntroduceerde beleid vloeit voort uit de conclusie dat ontheemde jezidi’s het bovengemiddeld zwaar hebben in de KAR en daar niet, naar lokale maatstaven gemeten, op een normaal niveau kunnen functioneren.”
11.6.
Hoewel het in de uitspraak van 4 februari 2025 ging om een jezidi afkomstig uit de Sinjar-regio voor wie de minister specifiek een tentenkamp in de KAR had aangemerkt als normale woon- of verblijfplaats, is naar het oordeel van de rechtbank ook in de zaak van eiser relevant wat nu maakt dat de minister sinds medio 2024 de KAR alsnog aanmerkt als normale woon- of verblijfplaats van jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar regio. Deze vraag is ook zonder dat sprake is van een tentenkamp relevant. Immers, zoals de rechtbank in eerdergenoemde uitspraak heeft overwogen, wordt in de brief van de toenmalige staatssecretaris van 27 mei 2024 niet uiteengezet wat maakt dat de situatie in de KAR zou zijn verbeterd. Deze brief gaat enkel in op het beëindigen van de aanwijzing van jezidi’s als kwetsbare minderheidsgroep, en niet op de beoordeling van de KAR als normale woon- of verblijfplaats van een jezidi uit de Sinjar-regio. Ook in het verweerschrift en op de zitting heeft de minister niet toegelicht in hoeverre de situatie in de KAR is gewijzigd en waarom de KAR als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt. Het standpunt van de minister dat de uitspraak van 4 februari 2025 in het geval van eiser niet opgaat, volgt de rechtbank dan ook niet. De omstandigheid dat de minister het niet eens is met de uitspraak van 4 februari 2025 en daartegen hoger beroep heeft ingesteld, maakt dat niet anders.
11.7.
De rechtbank concludeert dat de minister niet inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom de KAR sinds medio 2024 wel als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt voor jezidi’s die afkomstig zijn uit de Sinjar-regio. Dit betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kan laten. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met in achtneming van deze uitspraak.
11.8.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank meer niet toekomt aan een beoordeling van de beroepsgrond van eiser dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De minister dient in het nieuw te nemen besluit de op dat moment bekende feiten en omstandigheden in het kader van artikel 8 van het EVRM bij de beoordeling te betrekken.

Conclusie

12. Het beroep is gegrond. Het besluit wordt vernietigd omdat sprake is van motiveringsgebreken. Gelet op de conclusie van de rechtbank onder 11.7 bestaat er geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien. Het is aan de minister is om een gemotiveerde beoordeling te maken. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op een bedrag van € 2.721,-. [10]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 9 oktober 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 1 mei 2025 gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 1 mei 2025;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 2.721,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzitter, mr. H. Hanssen en
mr. L.J. van der Veen, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Koerdische Autonome Regio.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4.Vreemdelingenwet 2000.
5.NL24.801.
7.Brief van 27 mei 2024 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer, kenmerk 5002295.
8.Zie noot 6.
9.Zie noot 6.
10.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van gronden na het aanvullende besluit en 1 punt voor het verschijnen op de zitting van