In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, een Somalische beroepsmilitair, beoordeeld. Eiser heeft op 24 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze is door de minister van Asiel en Migratie op 30 april 2025 afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de problemen die eiser met de Al Shabaab heeft gehad, niet persoonlijk op hem gericht waren, maar onderdeel uitmaakten van algemene aanvallen op de autoriteiten. Eiser heeft niet kunnen aantonen dat hij na 2017 nog steeds in de negatieve aandacht van de Al Shabaab stond.
De rechtbank behandelt de beroepsgronden van eiser, die stelt dat hij vreest voor vervolging door de Al Shabaab vanwege zijn verleden als beroepsmilitair en de dreiging van besnijdenis van zijn dochters. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. De rechtbank vernietigt echter het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van € 2.267,50 toegewezen.
De uitspraak benadrukt de noodzaak voor de minister om individuele omstandigheden van asielzoekers in overweging te nemen en de impact van visuele handicaps op hun veiligheid en bestaanszekerheid. De rechtbank stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de asielaanvraag ongegrond is verklaard, maar dat de situatie in Somalië niet zodanig is dat eiser een reëel risico loopt op vervolging of schade.