ECLI:NL:RBDHA:2025:22155

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL25.23069
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een Somalische beroepsmilitair en de beoordeling van de risico's bij terugkeer naar Somalië

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 24 november 2025, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser, een Somalische beroepsmilitair, beoordeeld. Eiser heeft op 24 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze is door de minister van Asiel en Migratie op 30 april 2025 afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de problemen die eiser met de Al Shabaab heeft gehad, niet persoonlijk op hem gericht waren, maar onderdeel uitmaakten van algemene aanvallen op de autoriteiten. Eiser heeft niet kunnen aantonen dat hij na 2017 nog steeds in de negatieve aandacht van de Al Shabaab stond.

De rechtbank behandelt de beroepsgronden van eiser, die stelt dat hij vreest voor vervolging door de Al Shabaab vanwege zijn verleden als beroepsmilitair en de dreiging van besnijdenis van zijn dochters. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië. De rechtbank vernietigt echter het bestreden besluit vanwege een motiveringsgebrek, maar laat de rechtsgevolgen in stand. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van € 2.267,50 toegewezen.

De uitspraak benadrukt de noodzaak voor de minister om individuele omstandigheden van asielzoekers in overweging te nemen en de impact van visuele handicaps op hun veiligheid en bestaanszekerheid. De rechtbank stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de asielaanvraag ongegrond is verklaard, maar dat de situatie in Somalië niet zodanig is dat eiser een reëel risico loopt op vervolging of schade.

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL25.23069
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer] , eiser, (gemachtigde: mr. J.J. de Vries),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. I. van Es).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.1 Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 24 juni 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Somalische nationaliteit te zijn. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond en daarbij ook een terugkeerbesluit opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 26 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is ter zitting aangehouden om de gemachtigde van eiser in de gelegenheid te stellen om te reageren op de door de minister tijdens de zitting geüploade stukken ten aanzien van de door Griekenland afgegeven verblijfsvergunning. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven drie weken nodig te hebben en de gemachtigde van de minister heeft aangegeven daarna twee weken nodig te hebben om daarop te reageren. Partijen hebben aangegeven dat een nadere zitting achterwege kan blijven.
1 Vreemdelingenwet 2000.
2.3.
Nadat beide partijen schriftelijk hebben gereageerd en door geen van hen is aangegeven dat zij alsnog op een zitting wil worden gehoord, heeft de rechtbank op 20 oktober2025 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij van 2003 tot 2017 beroepsmilitair bij de Somalische overheid is geweest. Zijn vader was ook officier in het leger. Bij een aanslag door Al Shabaab kwamen de vader, de broer en de moeder van eiser om het leven. Eiser was commandant maar ook chauffeur van een bekende generaal, de oom van eiser. De oom is ook gedood door de Al Shabaab. Gedurende de periode dat eiser beroepsmilitair was is hij drie keer gewond geraakt. Dit gebeurde in Mogadishu. De derde keer raakte eiser gewond bij een bomaanslag in oktober 2017. Daarbij verloor hij zijn zichtvermogen. Omdat eiser niet meer nuttig was voor het leger, hebben ze hem verstopt. Eiser heeft verklaard dat hij en zijn familie bekend zijn, hij liep net als zijn vader altijd in uniform en vanaf 2017 heeft eiser zichzelf opgesloten om te voorkomen dat Al Shabaab hem iets zou aandoen. Omdat eiser het risico loopt dat de Al Shabaab wraak op hem neemt, heeft hij het leger gevraagd hem te helpen om naar het buitenland te vluchten. De kern van het asielrelaas is gelegen in het feit dat eiser als oud militair in Somalië vreest voor de Al Shabaab waarvoor hij een gemakkelijke prooi is, omdat hij blind is. Verder vreest eiser voor de besnijdenis van zijn dochters.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst en
de problemen met de Al Shabaab vanwege zijn baan als beroepsmilitair.
De beide asielmotieven zijn volgens de minister geloofwaardig. De vrees voor de besnijdenis van de dochters van eiser heeft de minister niet als asielmotief aangemerkt, omdat de dochters zich op dit moment in Somalië bevinden en niet in Nederland.
Zienswijze
5. Eiser verzoekt om zijn zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. Hieruit kan de rechtbank echter niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Bovendien is de minister in het bestreden besluit ingegaan op die zienswijze. De rechtbank ziet in dit verzoek van eiser daarom geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen.

De vrees voor besnijdenis van de dochters van eiser

6. Eiser stelt dat de minister ten onrechte de vrees voor besnijdenis van eisers dochters niet als asielmotief heeft aangemerkt, omdat het geen reden voor vertrek zou zijn. Eiser heeft verklaard dat zijn schoonfamilie recent nog druk op hem heeft uitgeoefend om zijn dochters te laten besnijden. Hij is als blinde vader zonder fysieke aanwezigheid niet in staat zijn dochters daartegen te beschermen. De dreiging is dan ook reëel en actueel.
6.1.
Met de minister is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van eiser over de gestelde vrees niet maakt dat er raakvlakken bestaan met eisers vertrek uit of de terugkeer
naar Somalië. Bovendien bevinden de dochters van eiser zich niet in Nederland maar in Somalië. Dat eisers schoonfamilie recent nog druk op hem heeft uitgeoefend maakt dat niet anders.
Is eiser een vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag?
7. De minister stelt zich op het standpunt dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser bij terugkeer naar Somalië vreest voor zijn leven heeft hij niet aannemelijk gemaakt.
7.1.
Eiser stelt dat de minister een onrealistische en te formele benadering van het vervolgingsrisico hanteert. De minister erkent ten onrechte niet dat eiser als voormalig pelotonscommandant tot de primaire doelwitten van de Al Shabaab behoort. Eiser verwijst op dit punt naar onder meer het Algemeen Ambtsbericht van maart 2025. Dat eiser visueel gehandicapt is - een direct gevolg van zijn inzet tegen de Al Shabaab - maakt hem kwetsbaar voor herkenning en represailles.
7.2.
De rechtbank overweegt dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser weliswaar gedurende de militaire dienstperiode bij een gewapend treffen tussen het regeringsleger en de Al Shabaab gewond is geraakt en ten gevolge daarvan visueel gehandicapt is geworden, maar dat de problemen die eiser met de Al Shabaab heeft gehad niet persoonlijk op eiser gericht waren maar onderdeel waren van (een) algemene aanval(len) van de Al Shabaab op de autoriteiten waar eiser op dat moment als beroepsmilitair deel van uit maakte. Eiser heeft in 2017 vanwege de opgelopen verwondingen het leger verlaten. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vervolgens door de Al Shabaab (nog langer) werd geassocieerd met de overheid of het regeringsleger, of dat hij na 2017 om een andere reden persoonlijk in de negatieve aandacht stond van de Al Shabaab. Tot slot heeft de minister kunnen betrekken dat eiser afkomstig is uit Mogadishu, dat niet onder controle staat van de Al Shabaab. De verwijzing door eiser naar het Algemeen Ambtsbericht treft geen doel omdat daaruit weliswaar blijkt dat militairen tot de voornaamste doelwitten van de Al Shabaab behoren, maar dat daaruit niet zonder meer is af te leiden dat ook oud-militairen zoals eiser doelwit zijn. Dat eiser visueel gehandicapt is maakt niet dat hij reeds daarom als oud-militair herkend zal worden en zodoende een eenvoudig te identificeren doelwit is.
Loopt eiser een reëel risico op ernstige schade?
8. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen reëel risico loopt op ernstige schade. Voor Somalië wordt aangenomen dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in de stad Mogadishu en de regio’s Galmudug, Jubbaland, South West State en Hirshabelle. Het is dan aan eiser om op grond van individuele omstandigheden aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar Mogadishu een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarin is eiser volgens de minister niet geslaagd.
8.1.
Eiser stelt dat de minister volledig de impact miskent van de visuele handicap van eiser op zijn bestaanszekerheid en fysieke veiligheid, en daarmee in strijd handelt met artikel 3 van het EVRM.2
2 Verdrag van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister niet ten onrechte heeft geoordeeld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in paragraaf C7/30.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Mogadishu staat niet onder controle van de Al-Shabaab. Wat betreft de omstandigheid dat eiser volledig is blindgeraakt in 2017 en de stelling van eiser dat hij een extra kwetsbaar persoon is in Somalië en bang is om gedood te worden door de Al-Shabaab, heeft de minister op goede gronden overwogen dat deze omstandigheid op zichzelf niet leidt tot een reëel risico op ernstige schade. Eiser maakte in Somalië deel uit van een gezin (echtgenote en vier kinderen) en is in staat geweest om in 2018 een nieuw huwelijk aan te gaan. Hij is sinds 2017 blind, heeft bij zijn vertrek in 2019 geen problemen ondervonden in verband met zijn blindheid en heeft een lange reis afgelegd nadat hij blind was geworden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij valt onder een risicoprofiel en niet is gebleken dat er sinds 2017 iets is veranderd in zijn persoonlijke situatie waardoor eiser zijn leven niet op soortgelijke wijze zou kunnen voortzetten. Hij heeft niet concreet gemaakt dat sprake is van armoede, uitsluiting en gebrek aan medische zorg. Temeer nu eiser behoort tot een sterke stam in Mogadishu (Hawye) en daarvan steun en bescherming kan vragen.
8.3.
Ook met de stelling van eiser dat de Al-Shabaab een effectief inlichtingenapparaat heeft en hij vanwege zijn voormalige activiteiten als beroepsmilitair door de Al-Shabaab zal worden vervolgd, heeft eiser niet op grond van individuele omstandigheden aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Mogadishu een reel risico loopt op ernstige schade. Daarvoor is de stelling te algemeen van aard en voldoet deze dan ook niet aan het individualiseringsvereiste. Voor wat betreft het risico op ernstige schade als oud-militair, verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen onder 7.2.
8.4.
De stelling van eiser dat de situatie in Somalië verslechtert en de verwijzing naar onder andere een nieuwsbericht van 18 maart 2025 waarin verslag gedaan wordt van een aanslag in een buitenwijk van Mogadishu op de president van Somalië, waarbij enkele bodyguards van de president en burgers zijn omgekomen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eiser daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat hij op grond van individuele omstandigheden bij terugkeer naar Mogadishu een reel risico loopt op ernstige schade. Niet in geschil is dat de situatie in Somalië zorgelijk is en dat ook uit het Algemeen Ambtsbericht volgt dat de strijd tussen het regeringsleger en de Al Shabaab soms hevig is. Maar hieruit blijkt niet de door eiser gestelde verslechtering, noch van een reel risico in het individuele geval van eiser.
8.5.
Ook heeft de minister kunnen oordelen dat eiser zijn stelling dat het vertrek uit Somalië en de asielaanvraag in Europa zullen worden gezien als een daad van verraad door de Al-Shabaab niet heeft onderbouwd. Uit het Algemeen Ambtsbericht blijkt dat er weinig concrete informatie beschikbaar was over eventuele problemen die terugkerende asielzoekers en vluchtelingen in Somalië ondervonden, maar dat in algemene zin uit de bronnen het beeld naar voren komt dat de mate waarin terugkeerders risico liepen in Somalië sterk samenhing met hun individuele omstandigheden en hun sociale netwerk. Eiser heeft ter zake van het gestelde risico de samenhang met zijn individuele omstandigheden en sociale netwerk niet onderbouwd.
8.6.
Met betrekking tot de stelling van eiser dat de minister had moeten toetsen aan de
Verordening 2021/23033 en bij de beoordeling van het asielrelaas gebruik had moeten maken van gemeenschappelijke EU-analyses en richtlijnen overweegt de rechtbank als volgt.
8.7.
Gelet op artikel 11, eerste lid, van de Verordening, coördineert het European Union Agency for Asylum (EUAA), om te zorgen voor meer convergentie bij de toepassing van de in de Kwalificatierichtlijn vastgestelde beoordelingscriteria, de inspanningen die de lidstaten leveren voor het ontwikkelen van een gemeenschappelijke analyse van de situatie in specifieke landen van herkomst en richtsnoeren ter ondersteuning van de lidstaten bij de beoordeling van relevante verzoeken om internationale bescherming.4
8.8.
De minister heeft zich ter zitting onweersproken op het standpunt gesteld dat ten aanzien van Somalië geen door het EUAA gecoördineerde gemeenschappelijke EU-analyses met een bijbehorende richtsnoeren bestaan. Wel is door de minister de informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Somalië van maart 2025 betrokken bij de besluitvorming. Gelet hierop faalt deze beroepsgrond.
De verblijfsvergunning in Griekenland
9. De minister heeft in het voornemen aangegeven dat aan eiser door de Griekse autoriteiten een verblijfsvergunning is verleend op basis van het behoren tot een destijds door Griekenland aangewezen kwetsbare dan wel risico groep.
9.1.
Niet in geschil is dat de stukken ten aanzien van de door de Griekse autoriteiten afgegeven verblijfsvergunning niet in het dossier waren opgenomen. Dit, terwijl de minister deze wel in de besluitvorming heeft betrokken. Ter zitting zijn de betreffende stukken alsnog door de minister aan het digitale dossier toegevoegd.
9.2.
Dat wat is overwogen onder 9.1 maakt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat hij de asielaanvraag van eiser ongegrond verklaart. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, en overweegt daartoe als volgt.
9.3.
Eiser heeft in reactie op de stukken die zien op de door de Griekse autoriteiten afgegeven verblijfsvergunning, in het bijzonder het verslag van het gehoor van de Griekse autoriteiten dat op 27 april 2021 heeft plaatsgevonden, aangegeven dat de Griekse autoriteiten het kennelijk al voldoende vonden om internationale bescherming te verlenen na vaststelling van dat eiser ‘
was attacked by Al Shabaab several times and wounded’. Eiser stelt consistent te zijn in het asielrelaas. Het relaas in Griekenland is hetzelfde als het relaas in Nederland.
9.4.
De minister stelt zich op het standpunt dat uit het dossier van de Griekse autoriteiten blijkt dat eiser de vluchtelingenstatus is verleend omdat hij behoort tot een specifieke sociale groep. Uit het dossier is niet af te leiden dat eiser vanwege zijn
3 Verordening (EU) 2021/2303 van 15 december 2021, inzake het Asielagentschap van de Europese Unie en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 439/2010.
4 Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1996,
JV2025/151.
persoonlijke asielrelaas de vluchtelingenstatus heeft verkregen in Griekenland.
9.5.
De rechtbank is van oordeel dat de minister met de aanvullende motivering het motiveringsgebrek in het bestreden besluit heeft hersteld. Gelet op dat wat onder 8.2 is overwogen heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij valt onder een risicoprofiel. Dat de Griekse autoriteiten eiser destijds, als behorend tot een specifieke sociale groep, de vluchtelingenstatus hebben verleend, maakt dat niet anders. Er bestaat geen plicht voor de minister om het oordeel van de Griekse autoriteiten over te nemen. Eiser heeft evenmin aannemelijk gemaakt, zoals is overwogen onder 8.2 en verder, dat hij op grond van zijn individuele omstandigheden bij terugkeer naar Mogadishu een reel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarom in stand.
10. Omdat het beroep gegrond is in verband met het motiveringsgebrek, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een informele lus, met een waarde per punt van
€ 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 30 april 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Buikema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 november 2025

Documentcode: DSR58164597

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.