ECLI:NL:RBDHA:2025:22205

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL:TZ:2502277:R-RK en NL:TZ:2502285:R-RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot oplegging dwangakkoord bij problematische schuldensituatie

De rechtbank Den Haag behandelde op 25 november 2025 het verzoek van een schuldenaar die zich in een problematische schuldensituatie bevindt. Zij had een schuldregeling aangeboden waarbij schuldeisers hun vorderingen volledig zouden kwijtschelden (nulaanbod). Hoewel de meerderheid van de schuldeisers instemde, weigerden Hoist Finance AB en Ziggo Services B.V. mee te werken.

De rechtbank stelde vast dat de schuldbemiddeling door een bevoegde instantie, de gemeente, was uitgevoerd en dat het voorstel goed en controleerbaar was gedocumenteerd. De schuldenaar is voor 16 tot 24 uur per week arbeidsgeschikt verklaard en voldoet aan haar sollicitatieverplichtingen, maar het is niet te verwachten dat zij enige afloscapaciteit zal hebben.

Na belangenafweging oordeelde de rechtbank dat de weigering van de schuldeisers onredelijk is en legde zij het dwangakkoord op. Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen omdat het dwangakkoord reeds voorzien in een oplossing. De rechtbank benadrukte dat het nulaanbod het maximaal haalbare is en dat de belangen van de meerderheid van schuldeisers zwaarder wegen dan die van de weigerende schuldeisers.

Uitkomst: De rechtbank legt het dwangakkoord op en beveelt schuldeisers mee te werken aan de schuldregeling.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Insolventies
rekestnummers: NL:TZ:2502277:R-RK en NL:TZ:2502285:R-RK
vonnis van 25 november 2025
in de zaak van
[verzoekster 1]
wonende op een geheim adres binnen het arrondissement van de rechtbank Den Haag,
hierna: [verzoekster 2] ,
tegen
Hoist Finance AB, vertegenwoordigd door LAVG,
gevestigd te Amsterdam,
hierna Hoist,
Ziggo Services B.V. (oftewel Ziggo B.V.), vertegenwoordigd door LAVG,
gevestigd te Utrecht,
hierna: Ziggo,
hierna gezamenlijk: verweersters.
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster 2] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Zij heeft een voorstel gedaan aan haar schuldeisers, waarbij de vordering door de schuldeiser dient te worden kwijtgescholden. Omdat niet alle schuldeisers met dit voorstel hebben ingestemd, heeft [verzoekster 2] de rechtbank verzocht het aangeboden akkoord dwingend op te leggen. Dit verzoek wordt door de rechtbank toegewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De feiten waar de rechtbank van uit gaat

1.1.
[verzoekster 2] heeft de afgelopen jaren een schuldenlast opgebouwd van € 13.328,36 aan 17 schuldeisers. Het is [verzoekster 2] niet gelukt om zelf een oplossing te vinden voor deze schulden. Met behulp van de [gemeente] heeft zij voor het laatst op 25 februari 2025 een schuldregeling aangeboden (nulaanbod). Dit voorstel houdt in dat aan de schuldeisers 0% wordt aangeboden, tegen kwijtschelding van hun vorderingen.
1.2.
Hoist is niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoekster 2] heeft een schuld aan Hoist van € 1.111,75, dat is 8,34% van de totale schuldenlast.
1.3.
Ziggo is ook niet akkoord gegaan met dit voorstel. [verzoekster 2] heeft een schuld aan Ziggo van € 1.173,03, dat is 8,8% van de totale schuldenlast.
1.4.
De overige 15 schuldeisers hebben het aanbod aanvaard.
1.5.
Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft [verzoekster 2] bij de rechtbank twee verzoeken ingediend. In de eerste plaats wil zij dat de rechtbank verweersters dwingt mee te werken aan de schuldregeling (een dwangakkoord oplegt). Wanneer de rechtbank dit verzoek afwijst, wil zij niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP).
1.6.
De rechtbank heeft bepaald uiterlijk 1 december 2025 uitspraak te doen.

2.De procedure

2.1.
De verzoeken van [verzoekster 2] zijn behandeld op de zitting van 24 november 2025. Op deze zitting verschenen:
- [verzoekster 2] ,
- [naam 1] , klantbegeleidster van de [gemeente] ,
- [naam 2] , schuldhulpverlener van de [gemeente] .
2.2.
Verweersters zijn opgeroepen, maar niet op de zitting verschenen.

3.Standpunten van partijen

3.1.
[verzoekster 2] stelt dat het onredelijk is dat verweersters het aanbod niet aanvaarden. Volgens haar kan zij niet meer aanbieden dan zij heeft gedaan.
3.2.
LAVG heeft namens Hoist en Ziggo een verweerschrift ingediend.
3.3.
Op de standpunten van Hoist, Vodafone en [verzoekster 2] wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling van de verzoeken

4.1.
De rechtbank zal het verzoek van [verzoekster 2] om een dwangakkoord op te leggen toewijzen. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
Het beoordelingskader van een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord
4.2.
Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de rechtbank vaststellen dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd door een daartoe bevoegde instantie. Ten tweede moet de rechtbank aan de hand van een belangenafweging vaststellen dat het onredelijk is dat verweersters weigeren in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
De schuldbemiddeling moet zijn uitgevoerd door een bevoegde instantie
4.3.
De rechtbank stelt vast dat de schuldbemiddeling is uitgevoerd door de [gemeente] . Dat betekent dat wordt voldaan aan de door wet gestelde voorwaarden, namelijk dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij. Het voorstel is naar het oordeel van de rechtbank bovendien goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank moet een belangenafweging maken
4.4.
Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat om te verlangen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst. De wetgever biedt daar verschillende regelingen voor, waarbij mensen met schulden zich maximaal moeten inspannen om zo veel mogelijk af te lossen en daarna schuldenvrij verder kunnen. Schuldeisers moeten dan vaak wel afstand doen (van een (groot) deel) van hun vordering. Daarom kunnen schuldeisers alleen onder bijzondere omstandigheden gedwongen worden om in te stemmen met een aangeboden schuldregeling.
4.5.
De rechtbank kan een zogenaamd ‘dwangakkoord’ opleggen wanneer de weigering van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden onredelijk is. Om te kunnen beoordelen of dat het geval is, moet de rechtbank de belangen van alle betrokkenen afwegen: van [verzoekster 2] zelf, van de weigerende schuldeisers en van de schuldeisers die wél hebben ingestemd. Op basis van die belangenafweging is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een dwangakkoord hier op zijn plaats is.
[verzoekster 2] heeft het maximaal haalbare voorstel gedaan
4.6.
Het voorstel dat [verzoekster 2] aan haar schuldeisers heeft gedaan is het maximaal haalbare. Een beter voorstel is niet mogelijk. Uit het overgelegde Sociaal Medisch Advies van Calder Werkt van 25 juni 2025 blijkt dat [verzoekster 2] voor 16 tot 24 uur per week arbeidsgeschikt is verklaard. [verzoekster 2] solliciteert naar werk voor 16 tot 24 uur per week en voldoet daarmee aan de op haar rustende sollicitatieverplichting. Daarbij komt dat zelfs wanneer [verzoekster 2] voor dat aantal uur betaalde arbeid zou verrichten, niet de verwachting bestaat dat dit zal leiden tot enige afloscapaciteit.
Deze regeling is in het belang van de andere schuldeisers
4.7.
De meerderheid van de schuldeisers, die samen ruim 82% van de totale schuldenlast vertegenwoordigen, heeft ingestemd met de aangeboden schuldregeling. De belangen van deze schuldeisers wegen, vanwege de gezamenlijke omvang, zwaarder dan dat van naam verweerster.
4.8.
Gelet op hetgeen onder 4.6. is overwogen, is ook in de WSNP geen enkele uitkering aan de schuldeisers te verwachten, terwijl toepassing van de WSNP wel tot hoge kosten zou leiden.
Argumenten van Hoist en Ziggo
4.9.
LAVG heeft namens Hoist en Ziggo nog aangevoerd dat het VTLB onjuist is, omdat het meerderjarige inwonende kind niet financieel bijdraagt in de kosten. De rechtbank overweegt dat – zoals door de consulent schuldhulpverlening naar voren is gebracht – in zo’n geval volgens het VTLB-rapport, onder punt 6.1.1, versie juli 2025, slechts een financiële bijdrage van een dergelijk meerderjarig inwonend kind wordt verlangd als een schuldenaar door het inwonend zijn van dat kind huurtoeslag derft. In het onderhavige geval wordt geen huurtoeslag gederfd door het inwonend zijn van het meerderjarige kind, omdat het geen recht heeft op een studentenreisproduct en geen inkomen heeft. [verzoekster 2] ontvangt daardoor de maximale huurtoeslag. Het VTLB is daarom correct. Voorts is aangevoerd dat het nulaanbod inhoudt dat er geen voordeel is bij een minnelijke schuldregeling in vergelijking tot de WSNP. De te verwachten uitdeling betreft in beide gevallen 0% en in de WSNP wordt (tenminste) nog door een rechter-commissaris en WSNP-bewindvoerder toezicht op naleving van de verplichtingen gehouden. Zoals reeds is overwogen, bestaat niet de verwachting dat [verzoekster 2] bij betaald werk voor 16 tot 24 uur per week een afloscapaciteit zal hebben en is er geen enkele uitkering aan de schuldeisers te verwachten. Toezicht van een rechter-commissaris en een WSNP-bewindvoerder op nakoming van – met name – de sollicitatieverplichting zal dus geen effect hebben, terwijl toepassing van de WSNP wel tot hoge kosten zou leiden.
Het WSNP-verzoek is niet langer aan de orde
4.10.
Omdat het verzoek tot het opleggen van een dwangakkoord zal worden toegewezen, heeft [verzoekster 2] geen belang meer bij haar verzoek om te worden toegelaten tot de WSNP. Dat verzoek zal daarom worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- beveelt verweersters in te stemmen met de onder 1.1 bedoelde schuldregeling;
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling af.
Dit is een beslissing van mr. D. de Loor, rechter, in samenwerking met C.R. Cortenbach-van der Lek, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2025.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die in het ongelijk is gesteld gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.