ECLI:NL:RBDHA:2025:22253

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
NL25.54795
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 25 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de maatregel van bewaring van een eiser van Marokkaanse nationaliteit. De maatregel van bewaring was opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op 7 november 2025, met als doel de identiteit en nationaliteit van de eiser vast te stellen en gegevens te verkrijgen voor de beoordeling van zijn asielaanvraag. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Op 14 november 2025 heeft de minister de maatregel van bewaring opgeheven, waarna eiser akkoord ging met een schriftelijke afdoening van het beroep. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 november 2025 gesloten.

De rechtbank heeft overwogen dat de gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het feit dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich aan het toezicht heeft onttrokken, feitelijk juist zijn. Eiser heeft betwist dat hij niet over een geldig reisdocument beschikt, maar de rechtbank oordeelt dat dit niet afdoet aan de noodzaak van de maatregel. De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is geweest en dat er geen feiten of omstandigheden zijn die de bewaring onevenredig bezwarend maken. Eiser heeft verzocht om in een regulier asielzoekerscentrum te verblijven, maar de rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat een lichter middel niet doeltreffend is.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. De uitspraak is openbaar gemaakt en er kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54795

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 14 november 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 12 november 2025 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft geen gebruik gemaakt dan de gelegenheid om een verweerschrift in te dienen. De rechtbank heeft het onderzoek op 20 november 2025 gesloten.

Overwegingen

Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1993.
Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van eisers asielaanvraag. In de maatregel staan als zware gronden [1] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden [2] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist alle gronden. De rechtbank is van oordeel dat zware grond 3a feitelijk juist is. Dat eiser door de autoriteiten van België is overgedragen aan Nederland doet niet af aan het feit dat eiser niet over een geldig reisdocument beschikt. Ook zware grond 3b is feitelijk juist. Eiser is immers na zijn asielaanvraag van 9 oktober 2024 op 1 december 2024 met onbekende bestemming vertrokken. Dit wordt door eiser niet betwist. Dat eiser eerder Nederland daadwerkelijk heeft verlaten en nu door België gedwongen wordt overgedragen aan Nederland, is niet relevant voor de beoordeling van de feitelijke juistheid van deze grond. Zware grond 3d is eveneens feitelijk juist. Eiser beschikt niet over documenten en hij heeft in het gehoor van 7 november 2025 verklaard dat hij zijn identiteitsbewijs in Italië heeft achtergelaten omdat hij anders teruggestuurd zou worden naar Marokko. Hij heeft verder nooit meer een poging gedaan om aan identiteitsdocumenten te komen. Dat eiser de juiste identiteit en nationaliteit heeft opgegeven bij verweerder, doet geen afbreuk aan de feitelijke juistheid van deze grond. Ook lichte grond 4c is feitelijk juist. Dat eiser niet beschikt over een vaste woon- of verblijfsplaats wordt niet weersproken. Dit geldt ook voor lichte grond 4d. Dat eiser stelt dat hij in België middels werkzaamheden in zijn onderhoud kon voorzien, neemt niet weg dat hij tijde van zijn aankomst in Nederland over geen middelen beschikte om in zijn levensonderhoud te voorzien. Deze lichte gronden zijn ook voldoende gemotiveerd in de maatregel.
5. Voor de hierboven besproken gronden geldt dat zij de maatregel van bewaring kunnen dragen, zodat daarmee het risico op onttrekking aan het toezicht is gegeven. De overige gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.
6. Tot slot verzoekt eiser om gedurende zijn asielprocedure te mogen verblijven in een regulier asielzoekerscentrum, nu eiser zich niet zal onttrekken aan het toezicht. Eiser stelt dat hij er belang bij heeft om gedurende zijn asielprocedure voor verweerder beschikbaar te blijven.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is toe te passen om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Aan eiser is op 19 november 2024 een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd, waarmee hem de gelegenheid is geboden om vrijwillig te werken aan zijn terugkeer, maar hij heeft deze mogelijkheid niet benut. Het inreisverbod is nog van kracht tot 25 november 2026. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
8. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 november 2025 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
2.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb