ECLI:NL:RBDHA:2025:22308

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
NL24.32481
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Afghaanse vrouw en haar kinderen, beoordeling van vervolgingsrisico en individualiseringsvereiste

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres, een Afghaanse vrouw, en haar drie kinderen. Eiseres heeft op 29 januari 2022 asiel aangevraagd, maar haar aanvraag werd op 30 juli 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 21 mei 2025 en concludeert dat de afwijzing niet in stand kan blijven. De rechtbank legt uit dat de afwijzing niet voldoende onderbouwd is en dat de situatie voor Afghaanse vrouwen, zoals beschreven in het arrest AH en FN, een gegronde vrees voor vervolging met zich meebrengt. De rechtbank oordeelt dat de individuele omstandigheden van eiseres niet verder onderzocht hoeven te worden, omdat alle Afghaanse vrouwen in een vergelijkbare situatie een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en verleent eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldig tot 29 januari 2027. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.32481

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

mede namens haar minderjarige kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3]
(gemachtigde: mr. B.W.M. Toemen),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
(gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres en haar drie kinderen. Eiseres is het met die afwijzing niet eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. Vanaf 4 staat het procesverloop in dit geding beschreven. Daar zijn ook de van belang zijnde feiten en omstandigheden vermeld die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 10. Daarin wordt met name ingegaan op de betekenis van het arrest AH en FN [1] voor de beoordeling van asielaanvragen van Afghaanse vrouwen. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

4. Eiseres stelt dat zij is geboren op [datum] 1993 en dat zij de Afghaanse nationaliteit heeft. Op 29 januari 2022 heeft zij asielaanvragen ingediend voor zichzelf en haar zoon [minderjarige 1] . De kinderen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn nadien in Nederland geboren. De aanvraag van 29 januari 2022 is opgevat als mede namens hen ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 30 juli 2024 de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Wel heeft verweerder aan eiseres en haar kinderen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op humanitaire gronden verleend.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij haar asielaanvraag is afgewezen. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2025 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [naam 1] , [naam 2] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
7. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om schriftelijk te reageren op het ter zitting gedane beroep van eiseres op het arrest AH en FN. Van die gelegenheid heeft verweerder gebruik gemaakt. Daarna zijn nog schriftelijke reacties gevolgd, eerst van eiseres op 30 juni 2025, vervolgens van verweerder op 25 juli 2025.
8. Op 26 augustus 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
9. De uitspraaktermijn is met zes weken verlengd.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
10. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres heeft verklaard over haar eerste echtgenoot ( [naam 1] ), de vader van haar kinderen. Eiseres heeft verklaard dat deze man in Nederland woont. Ze zijn in 2015 getrouwd en in 2017 zijn ze uit elkaar gegaan. Officieel zijn ze niet gescheiden, maar de relatie is voorbij. Volgens eiseres is de man vanwege zijn seksuele geaardheid uit Afghanistan gevlucht. Aan hem is een Nederlandse verblijfsvergunning verleend. In 2019 is eiseres in Afghanistan hertrouwd. Deze man ( [naam 3] ) werkte bij de veiligheidsdienst. Eiseres heeft verklaard dat haar tweede echtgenoot door de Taliban is vermoord. Daarna was haar leven ook in gevaar en is zij met haar zoon uit Afghanistan gevlucht.
Het bestreden besluit
11. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat hij het gestelde tweede huwelijk en de daaruit gevolgde problemen met de Taliban ongeloofwaardig acht. Eiseres heeft haar verklaringen namelijk niet onderbouwd met documenten en volgens verweerder vormen de verklaringen op zichzelf geen samenhangend en aannemelijk geheel.
12. Verweerder heeft in het verweerschrift toegelicht dat de afwijzing van de asielaanvraag als ‘kennelijk ongegrond’ een verschrijving is geweest. Dat had ‘ongegrond’ moeten zijn.
De beroepsgronden
13. Eiseres richt zich in haar beroep niet tegen het ongeloofwaardig geachte asielrelaas over haar tweede huwelijk en de daaruit voortvloeiende problemen met de Taliban. Eiseres stelt in haar beroepsgronden de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan aan de orde. Verweerder heeft in het licht daarvan volgens eiseres een verkeerde bewijsmaatstaf gehanteerd voor de beoordeling of gesproken kan worden van vervolging wegens het behoren tot een sociale groep. Eiseres stelt verder dat zij als vrouw vanwege de algemene situatie bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiseres doet ook een beroep op de samenwerkingsverplichting als bedoeld in artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn. [2]
Het juridisch kader
14. Voor het juridisch kader wordt verwezen naar de bijlage bij deze uitspraak.
De beoordeling
15. Niet in geschil is dat eiseres een vrouw is met de Afghaanse nationaliteit. In geschil is of verweerder bij de beoordeling van de asielaanvraag van eiseres heeft mogen verlangen dat zij aannemelijk maakt dat zij vervolging heeft te vrezen, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Met andere woorden: mocht verweerder vasthouden aan het individualiseringsvereiste dat op grond van zijn landgebonden beleid geldt voor Afghaanse vrouwen? [3]
16. Eiseres stelt zich op het standpunt dat iedere Afghaanse vrouw, ongeacht haar individuele omstandigheden, vervolging heeft te vrezen, dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Afghanistan. Zij verwijst naar de risico’s die zijn beschreven in het arrest AH en FN (hierna: het arrest). Verweerder leest het arrest anders dan eiseres. Verweerder houdt vast aan het individualiseringsvereiste, zoals ook weergegeven in het landgebonden beleid voor Afghanistan.
17. De rechtbank stelt vast dat in het arrest een antwoord wordt gegeven op de prejudiciële vraag (punt 30 van het arrest), of het samenstel van maatregelen die in een staat worden genomen, bevorderd of gedoogd door een actor die feitelijk de regeringsmacht heeft, voldoende ernstig is om een vrouw zodanig te treffen dat het een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens. Concreet is daarbij ook de vraag gesteld of het voor de vluchtelingenstatus voldoende is dat een vrouw louter op grond van haar geslacht door deze maatregelen in het land van herkomst wordt getroffen of dat daarvoor haar individuele situatie moet worden onderzocht.
18. Punt 30 van het arrest bevat een opsomming van maatregelen, waarvan wordt aangenomen [4] dat die door de Taliban ten aanzien van vrouwen zijn vastgesteld, namelijk:
 dat vrouwen de participatie in politieke ambten en politieke besluitvormingsprocessen wordt geweigerd,
 dat hun geen juridische middelen ter beschikking worden gesteld om bescherming te kunnen krijgen tegen genderspecifiek en huiselijk geweld,
 dat zij in het algemeen zijn blootgesteld aan het risico op een gedwongen huwelijk, hoewel deze praktijk wordt verboden door de actor die feitelijk de regeringsmacht heeft, maar aan de vrouwen geen effectieve bescherming daartegen wordt geboden en dergelijke huwelijken soms ook worden gesloten met deelneming van personen die feitelijk openbaar gezag uitoefenen en weten dat het een gedwongen huwelijk betreft,
 dat zij geen beroepsactiviteit mogen uitoefenen of dat slechts in beperkte mate, voornamelijk van huis uit, mogen doen,
 dat voor hen de toegang tot gezondheidsdiensten wordt bemoeilijkt,
 dat hun de toegang tot onderwijs – geheel of in hoge mate (bijvoorbeeld door aan meisjes uitsluitend basisonderwijs toe te staan) – wordt geweigerd,
 dat zij niet in het openbaar mogen verschijnen of zich niet mogen voortbewegen zonder begeleiding van een man (met wie zij een familieband hebben), in ieder geval indien een bepaalde afstand tot de woonplaats wordt overschreden,
 dat zij hun lichaam in het openbaar volledig moeten bedekken en hun gelaat moeten verhullen, en
 dat zij geen sport mogen beoefenen.
19. Onder punt 42 is overwogen dat het buiten kijf staat dat, ongeacht de aard van de onderdrukking waaraan Afghaanse vrouwen worden blootgesteld indien zij zich niet voegen naar de voorschriften van het Talibanregime – die op zichzelf daden van vervolging in de zin van artikel 9, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn kunnen vormen – de aangehaalde discriminerende maatregelen de vereiste mate van ernst bereiken wegens zowel de intensiteit en het gecumuleerde effect ervan als de gevolgen ervan voor de betrokken vrouw.
20. Het HvJEU heeft in het arrest (punt 48) als uitgangspunt genomen dat artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn de bevoegde nationale autoriteit in beginsel verplicht tot een individuele beoordeling.
21. Onder punt 56 van het arrest wordt vervolgens verwezen naar het rapport ‘Country guidance: Afghanistan’ van EASO [5] van januari 2023 en naar een verklaring van de UNHCR [6] van 25 mei 2023. Beide instanties concluderen dat er vanwege de hiervoor opgesomde maatregelen voor Afghaanse vrouwen en meisjes een gegronde vrees bestaat voor daden van vervolging respectievelijk een vermoeden van erkenning van de vluchtelingenstatus uitsluitend op grond van hun geslacht.
22. Op basis van die informatie heeft het HvJEU (punt 57) geconcludeerd dat het momenteel niet nodig is om aan de hand van de individuele omstandigheden te onderzoeken of de vreemdeling een gegronde vrees heeft om aan daden van vervolging te worden onderworpen bij terugkeer, als de Afghaanse nationaliteit en het vrouwelijk geslacht vaststaan. Onder punt 58 heeft het HvJEU geoordeeld dat artikel 4, derde lid, van de Kwalificatierichtlijn zo moet worden uitgelegd dat het aan de bevoegde autoriteit, rekening houdend met de omstandigheden in het land van herkomst van een vrouw op het moment dat haar verzoek om internationale bescherming wordt beoordeeld, niet de verplichting oplegt om in het kader van de individuele beoordeling ook andere elementen dan haar geslacht en haar nationaliteit in aanmerking te nemen die kenmerkend zijn voor haar persoonlijke situatie.
23. Verweerder heeft uit punt 57 en 58 van het arrest geconcludeerd dat op hem weliswaar niet de plicht rust om een individuele beoordeling te maken, maar dat het ook niet verboden is. De rechtbank leest het arrest anders: op verweerder rust wel de (beginsel)plicht om een individuele beoordeling te maken, maar het samenstel aan maatregelen onder het huidige regime in Afghanistan, zoals weergegeven in punt 30 van het arrest, maakt dat verweerder momenteel binnen die beoordeling kan volstaan met het vaststellen van de Afghaanse nationaliteit en het vrouwelijk geslacht. Immers, alle vrouwen en meisjes met de Afghaanse nationaliteit staan bloot aan het samenstel aan maatregelen zoals hierboven opgesomd. Dat samenstel van maatregelen is aan te merken als daden van vervolging. Reeds daarom moet geconcludeerd worden dat zij als sociale groep gegronde vrees hebben voor vervolging bij terugkeer naar Afghanistan. [7]
24. Niet is gebleken dat de omstandigheden in Afghanistan in betekenende mate zijn veranderd in vergelijking met de situatie ten tijde van het arrest AH en FN. De rechtbank is daarom van oordeel dat alle Afghaanse vrouwen en meisjes die in Nederland asiel aanvragen, aanspraak maken op toelating als vluchteling. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn standpunt dat het hem ook na het arrest nog steeds vrij staat om een individuele beoordeling te maken die verder gaat dan het vaststellen van de nationaliteit en het geslacht. Niet valt in te zien waarom eiseres in haar situatie – naast haar Afghaanse nationaliteit en haar vrouwelijk geslacht – meer feiten en omstandigheden naar voren moet brengen om aannemelijk te maken dat zij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer.
25. De beroepsgrond slaagt.
26. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als (kennelijk) ongegrond.
27. Eiseres heeft in haar laatste brief van 30 juni 2025 aandacht gevraagd voor de gevolgen van de Talibanmaatregelen voor haar minderjarige dochter [minderjarige 2] . Eiseres merkt op dat [minderjarige 2] bij terugkeer naar Afghanistan in ieder geval te maken zal krijgen met de maatregelen en het cumulatieve effect daarvan, aangezien zij nog niet naar school is geweest. De rechtbank merkt daarover nog het volgende op. Wat geldt voor eiseres, geldt ook voor haar dochter. Op basis van de voorgaande overwegingen heeft ook haar dochter een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer naar Afghanistan.

Conclusie en gevolgen

28. Het beroep is gegrond omdat in het bestreden besluit ten onrechte niet is aangenomen dat eiseres verdragsvluchteling is als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Uit de beoordeling van het beroep volgt dat er geen andere uitkomst mogelijk is dan verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank zal daarom verweerder de opdracht geven om aan eiseres die vergunning te verlenen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. [8]
29. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 30 juli 2024;
- draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak
aan eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen met als
ingangsdatum 29 januari 2022, geldig tot 29 januari 2027;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan op 26 november 2025 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Bijlage Juridisch kader
Op grond van artikel 1 A van het Vluchtelingenverdrag [9] geldt als vluchteling elke persoon die gegronde vrees heeft voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.
In artikel 2, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn [10] is deze definitie van vluchteling overgenomen.
In artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn staat:
(…)
3. De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
a. a) alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen, met inbegrip van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van het land van herkomst en de wijze waarop deze worden toegepast;
b) de door de verzoeker afgelegde verklaring en overgelegde documenten, samen met informatie over de vraag of de verzoeker aan vervolging of andere ernstige schade blootgesteld is dan wel blootgesteld zou kunnen worden;
c) de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, waartoe factoren behoren zoals achtergrond, geslacht en leeftijd, teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen;
(…).
In artikel 9 van de Kwalificatierichtlijn staat:
1. Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève moet de daad:
a. a) zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een ernstige schending vormt van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden [, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: ‚EVRM’)]; of
b) een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven onder a).
2. Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:
a. a) daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;
b) wettelijke, administratieve, politiële en/of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;
c) onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;
(...)
f) daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.
3. Overeenkomstig artikel 2, onder d), moet er een verband zijn tussen de in artikel 10 genoemde redenen en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1 van dit artikel of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.”
In artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn staat:
een groep wordt geacht een specifieke sociale groep te vormen als met name:
– leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en
– de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft, omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 4 oktober 2024, AH en FN tegen Oostenrijk, ECLI:EU:C:2024:828.
2.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011.
3.In paragraaf C7/2.3.2.1. wordt verwezen naar het algemene asielbeleid in paragraaf C2.2.3:
4.In navolging van de conclusie van Advocaat-Generaal Richard de la Tour van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:856.
5.European Union Agency for Asylum.
6.United Nations High Commissioner for Refugees.
7.In dezelfde zin: Rafi en Pamir in de noot bij het arrest in JV 2025/2.
8.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
9.Het Verdrag van Geneve betreffende de status van vluchtelingen, zoals aangevuld door het protocol van New York.
10.Richtlijn 2011/95/EU.