ECLI:NL:RBDHA:2025:22339

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
11778363 \ RP VERZ 25-50508
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 RvArt. 10:10 BWArt. 196 RvArt. 197 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor in geschil over onregelmatige beëindiging agentuurovereenkomsten

De zaak betreft een geschil tussen buitenlandse rechtspersonen die agentuurovereenkomsten hadden met Nederlandse partijen, welke door laatstgenoemden met onmiddellijke ingang werden beëindigd wegens verdenking van niet-ambtelijke omkoping. Verzoeksters wilden een voorlopig getuigenverhoor gelasten om hun bewijspositie te versterken voor een voorgenomen civiele procedure over onregelmatige beëindiging.

De verweersters stelden dat het verzoek niet-ontvankelijk was, onvoldoende concreet, en dat het voorlopige getuigenverhoor de strafrechtelijke procedure zou verstoren. De kantonrechter oordeelde echter dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en Nederlands recht van toepassing is. Het verzoekschrift voldeed aan de wettelijke eisen en was voldoende concreet.

De kantonrechter verwierp de bezwaren van verweersters dat het verzoek strijdig zou zijn met de goede procesorde of misbruik van procesrecht zou zijn. Ook werd geoordeeld dat het lopende strafrechtelijk onderzoek geen reden is om het verzoek af te wijzen, aangezien de civiele procedure zich richt op de vraag of de beëindiging van de overeenkomsten op dat moment gerechtvaardigd was.

Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor werd daarom toegewezen, met aanwijzing van een rechter-commissaris en nadere procedurele instructies voor het verhoor van de getuigen.

Uitkomst: Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
SH/b/c
Zaaknummer / rekestnummer: 11778363 \ RP VERZ 25-50508
Beschikking van 4 december 2025
in de zaak van
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verzoeksters sub 1],
te [land 1] ,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verzoeksters sub 2],
te [land 2] ,
verzoekende partijen,
hierna te noemen: [verzoeksters sub 1] , [verzoeksters sub 2] of (gezamenlijk) [verzoeksters] ,
gemachtigde: mr. C.J. van Dijk,
tegen

1.[verweersters sub 1] B.V.,

te [vestigingsplaats 1] ,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
[verweersters sub 2] LTD,
te [vestigingsplaats 2] ,
verwerende partijen,
hierna te noemen: [verweersters sub 1] , [verweersters sub 2] of (gezamenlijk) [verweersters] ,
gemachtigde: mr. L.H.E. Møller.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 26 juni 2025 met producties 1 tot en met 7,
- het verweerschrift van 26 augustus 2025 met producties 1 tot en met 5,
- het aanvullend verzoekschrift van 26 augustus 2025,
- het aanvullend verweerschrift van 24 oktober 2025 met producties 6 tot en met 9,
- de mondelinge behandeling van 6 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de door de gemachtigde van [verzoeksters] overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
De heer [naam 1] is de eigenaar van de ondernemingen [verzoeksters sub 1] en [verzoeksters sub 2] ( [verzoeksters] ). [verzoeksters] hebben twee agentuurovereenkomsten gesloten met [verweersters] op grond waarvan
[verzoeksters] bemiddelingsdiensten verlenen aan [verweersters] bij de aankoop van producten die [verweersters] vervolgens verkopen aan klanten in winkels in verschillende Europese landen.
2.2.
Bij brieven van 6 november 2023 hebben [verweersters] de met [verzoeksters] gesloten agentuurovereenkomsten met onmiddellijke ingang beëindigd naar aanleiding van feiten die [verweersters] hebben ontvangen van de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (hierna: FIOD). De FIOD verdenkt [verzoeksters] en hun eigenaar – kortgezegd – van niet-ambtelijke omkoping van een voormalig werknemer van [verweersters sub 1] . Van deze verdenking is een proces-verbaal opgemaakt.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeksters] verzoeken de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.
3.2.
Aan het verzoek leggen [verzoeksters] ten grondslag dat zij voornemens zijn een civiele procedure te starten, omdat volgens hen de beëindiging van de agentuurovereenkomsten een onregelmatige beëindiging is. In dat kader wensen zij ter bepaling van hun bewijspositie bij wijze van een voorlopige bewijsverrichting de volgende vier personen te horen:
de heer [naam 2] , de voormalig werknemer van [verweersters] die in de opzeggingsbrieven wordt bedoeld;
de heer [naam 3] , zoon van de heer [naam 2] , vennoot in de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam] ;
de heer [naam 4] , bestuurder van [verweersters sub 1] en ondertekenaar van de opzeggingsbrieven van 6 november 2023;
de heer [naam 5] , ook bestuurder van [verweersters sub 1] en ondertekenaar van de opzeggingsbrieven van 6 november 2023.
[verzoeksters] wensen personen 1 en 2 onder meer te bevragen over hun relatie tot [verzoeksters] en de tegen personen 1 en 2 gerezen verdenking. [verzoeksters] wensen personen 3 en 4 onder meer te bevragen naar hun beweegredenen, de door hen gemaakte afwegingen en de binnen de [verweersters] geldende (inkoop)procedures.
3.3.
[verweersters] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek en voeren daartoe – samengevat – aan dat het verzoekschrift onvoldoende concreet en daarmee niet-ontvankelijk is. Het verzoek geeft summier aan over welke onderwerpen [verzoeksters] de gevraagde getuigen willen horen. Getuigen 3 en 4 zijn daarbij niet de aangewezen personen om te bevragen over de binnen [verweersters] geldende (inkoop)procedures. De directeur inkoop van [verweersters sub 1] heeft de (inkoop)procedures al uiteengezet. Verder zijn er gewichtige redenen voor afwijzing van het verzoek. Het strafrechtelijk onderzoek naar [verzoeksters] , hun eigenaar en twee van de verzochte getuigen is nog niet afgerond. Daarmee kunnen zowel [verzoeksters] als [verweersters] nog niet over alle feiten beschikken. Ook komt aan twee verdachten tijdens het strafproces zwijgrecht toe. De onderwerpen van het verzoek maken ook deel uit van het strafrechtelijk onderzoek. [verweersters] worden in hun belangen geschaad, omdat er vragen zullen worden gesteld die voor de verdachte getuigen incriminerend kunnen zijn. Het verzoek druist in tegen de normale gang van zaken rondom waarheidsvinding. [verzoeksters] willen een oordeel van de civiele rechter forceren over de verdenking van niet-ambtelijke omkoping, voordat een strafrechter op basis van een afgerond en volledig strafrechtelijke onderzoek over dezelfde feitencomplexen oordeelt. Dit is ongewenst en verstorend. Het verzoek is voorbarig en als zodanig (ook) in strijd met de goede procesorde. [verzoeksters] hebben verder geen rechtens te beschermen belang. Het voortijdige verzoek tot het horen van getuigen zonder dat zij vooraf over alle relevante feiten kunnen beschikken heeft kenmerken van misbruik van procesrecht.

4.De beoordeling

De Nederlandse rechter heeft rechtsmacht en Nederlands recht is van toepassing
4.1.
De kantonrechter stelt vast dat deze zaak een internationaal karakter heeft, omdat [verzoeksters] zijn gevestigd in [land 1] en [land 2] en [verweersters sub 2] is gevestigd in [vestigingsplaats 2] . Daarom dient allereerst ambtshalve te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht op het voorliggende verzoek van toepassing is.
4.2.
De rechterlijke bevoegdheid bij voorlopige bewijsverrichtingen wordt volgens vaste rechtspraak ontleend aan de bevoegdheid kennis te kunnen nemen van het bodemgeschil. [1] Op grond van artikel 8 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht als partijen met betrekking tot een bepaalde rechtsbetrekking die tot hun vrije bepaling staat, bij overeenkomst een Nederlandse rechter of de Nederlandse rechter hebben aangewezen voor de kennisneming van geschillen welke naar aanleiding van die rechtsbetrekking zijn ontstaan of zullen ontstaan, tenzij daarvoor geen redelijk belang aanwezig is. In deze zaak is sprake van een dergelijke rechtsbetrekking en hebben partijen in beide opgezegde overeenkomsten de Nederlandse rechter aangewezen om kennis te nemen van geschillen. Omdat [verweersters sub 1] , van wie [verweersters sub 2] een dochteronderneming is, in Nederland is gevestigd, hebben zij daarbij ook een redelijk belang. De Nederlandse rechter is daarom bevoegd van het verzoek kennis te nemen.
4.3.
Vervolgens moet worden beoordeeld welk recht van toepassing is op het verzoek. Partijen zijn in de overeenkomsten overeengekomen dat op geschillen voortkomend uit deze overeenkomsten Nederlands recht van toepassing is. Uit artikel 10:10 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt daarmee dat Nederlands recht van toepassing is.
4.4.
Gelet op het voorgaande en op het feit dat het gaat om agentuurovereenkomsten, die tot de bevoegdheid van de kantonrechter behoren, komt de kantonrechter toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek naar Nederlands recht.
[verzoeksters] zijn ontvankelijk in hun verzoek
4.5.
Het verzoekschrift is ingediend na 1 januari 2025. Dit betekent dat op de beoordeling van het verzoek de artikelen 196 en 197 (nieuw) Rv van toepassing zijn. Op grond van artikel 196 Rv Pro kan de rechter voordat een zaak aanhangig is, of als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven, op verzoek van een belanghebbende één of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen. In dat geval moet het verzoekschrift wel aan de voorwaarden in artikel 197 lid 2 Rv Pro voldoen. Anders dan [verweersters] stellen, is het verzoekschrift naar het oordeel van de kantonrechter voldoende concreet. [verzoeksters] hebben namelijk voldoende toegelicht dat het verzochte voorlopig getuigenverhoor als doel heeft om – ter voorbereiding op een eventuele civiele procedure – hun bewijspositie te bepalen ten aanzien van hun standpunt dat sprake is van een onregelmatige opzegging van de agentuurovereenkomsten. Hiermee is voldoende duidelijk wat de aard en strekking van het verzoek is. Het verzoekschrift voldoet eveneens aan de overige voorwaarden in artikel 197 lid 2 Rv Pro.
4.6.
Het verzoekschrift is ingekomen op 27 juni 2025, en voorafgaand aan de indiening van dit verzoekschrift is geen bodemzak aanhangig gemaakt. Dit betekent dat [verzoeksters] in hun verzoek kunnen worden ontvangen.
Het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen
4.7.
Omdat het verzoek van [verzoeksters] voldoet aan de voorwaarden die de wet aan het verzoekschrift stelt, hebben [verzoeksters] in beginsel recht op een voorlopig getuigengehoor. Dit is anders als de verlangde informatie niet voldoende bepaald is, [verzoeksters] onvoldoende belang hebben bij hun verzoek, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, er sprake is van misbruik van procesrecht of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 Rv Pro). Als geen van deze situaties zich voordoet en het verzoek verder aan alle eisen voldoet, dan wordt het verzoek toegewezen.
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat het verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor moet worden toegewezen, omdat niet is gebleken van (een van) de hiervoor genoemde afwijzingsgronden. De kantonrechter licht deze beslissing in het hiernavolgende toe.
Het verzoek is voldoende bepaald
4.9.
[verweersters] voeren aan dat het verzoek slechts summier aangeeft over welke onderwerpen [verzoeksters] de getuigen willen horen. Dit verweer wordt verworpen. Het is volgens vaste rechtspraak namelijk niet vereist dat de verzoeker in het verzoekschrift al nauwkeurig aangeeft over welke feiten hij getuigen wil doen horen. Een voorlopig getuigenverhoor dient nu juist mede ertoe om de gelegenheid te bieden opheldering te krijgen over de feiten ten behoeve van het beoogde doel van het verzoek. [2] [verzoeksters] hebben ter zitting bovendien toegelicht dat zij met hun verzoek informatie willen verkrijgen over de beslissing die is genomen ten aanzien van de beëindiging van de agentuurovereenkomsten, op basis van welke informatie die beslissing is genomen en hoe de processen binnen [verweersters] werken, zodat zij kunnen beoordelen of er voor [verweersters] voldoende aanleiding was de agentuurovereenkomsten te beëindigen en of die beslissing zorgvuldig is genomen. Naar het oordeel van de kantonrechter is het verzoek dan ook voldoende bepaald.
4.10.
Ook het feit dat de directeur inkoop van [verweersters sub 1] de (inkoop)procedures al uiteen heeft gezet en de stelling van [verweersters] dat getuigen 3 en 4 niet de aangewezen personen zijn om te bevragen over de (inkoop)procedures, maakt niet dat het verzoek hen te horen moet worden afgewezen. Hoewel kan worden afgevraagd in hoeverre [verzoeksters] over dit onderwerp aanvullende specifieke informatie van deze personen kunnen verkrijgen tijdens een voorlopig getuigenverhoor, vormt dit op zichzelf geen reden om het verzoek op voorhand af te wijzen. Dit geldt te meer aangezien getuigen 3 en 4 de opzeggingsbrieven hebben ondertekend en dus kunnen verklaren over de genomen beslissing tot opzegging, een onderwerp dat ook door [verzoeksters] is genoemd.
De door [verweersters] aangevoerde redenen zijn geen gewichtige redenen
4.11.
De door [verweersters] aangevoerde redenen zijn geen gewichtige redenen op grond waarvan het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor moet worden afgewezen. Hiertoe overweegt de kantonrechter allereerst dat het in een eventuele bodemprocedure niet gaat om de vraag of er wel of geen sprake is geweest van niet-ambtelijke omkoping in strafrechtelijke zin – dat oordeel is inderdaad voorbehouden aan de strafrechter – maar om de vraag of er voor [verweersters] voldoende aanleiding was om tot de onmiddellijke beëindiging van de agentuurovereenkomsten over te gaan. Dat beide partijen in dit stadium nog niet kunnen beschikken over alle uit het strafrechtelijk onderzoek naar boven gekomen feiten is dan ook niet van belang. Het gaat immers om de informatie die ten tijde van de beëindiging van de agentuurovereenkomsten voor [verweersters] bekend was.
4.12.
Een niet afgerond strafrechtelijk onderzoek hoeft daarnaast niet in de weg te staan aan een eventuele civiele procedure en de mogelijkheden van de civiele rechter. Als [verzoeksters] een civiele procedure starten, ligt de bewijslast van het standpunt dat sprake is van een onregelmatige beëindiging van de agentuurovereenkomsten bij hen. [verweersters] zullen vervolgens moeten stellen dat hiervan geen sprake is. De civiele rechter zal in dat geval dus vanuit een civiel oogpunt beoordelen of [verweersters] de agentuurovereenkomsten met onmiddellijke ingang mochten beëindigen op basis van de informatie waarover zij op dat moment beschikten. Het is in dat geval dus maar de vraag of de civiele rechter toekomt aan een beoordeling of wel of geen sprake is geweest van niet-ambtelijke omkoping.
4.13.
Het is verder juist dat aan de eerste twee getuigen gedurende het strafproces zwijgrecht toekomt en zij in een civiele procedure dus een verschoningsrecht hebben, maar dit vormt geen (gewichtige) reden om het verzoek af te wijzen. [verweersters] hebben namelijk niet gesteld in welke belangen zij zelf worden geschaad als er vragen worden gesteld die incriminerend kunnen zijn voor de eerste twee getuigen.
Het verzoek is niet in strijd met de goede procesorde
4.14.
De kantonrechter volgt [verweersters] ook niet in hun stelling dat het houden van een voorlopig getuigenverhoor strijdig is met de goede procesorde. [verweersters] hebben niet onderbouwd hoe de eventueel te starten civiele procesorde door het voorlopig getuigenverhoor wordt verstoord. Voor zover zij ook in dit verband hebben gesteld dat [verzoeksters] een oordeel willen forceren van de civiele rechter over de verdenking van niet-ambtelijke omkoping is daarop hiervoor al ingegaan.
4.15.
Evenmin is gebleken van een verstoring van het strafrechtelijk onderzoek. De kantonrechter overweegt in dit verband dat de enkele omstandigheid dat in het voorlopig getuigenverhoor dezelfde vragen aan de orde (kunnen) komen of dezelfde feiten (kunnen) worden onderzocht als in een procedure bij een andere rechter, geen grond voor afwijzing van het verzoek kan zijn. Dit kan wel het geval zijn als aannemelijk is dat de omstandigheid dat in het voorlopig getuigenverhoor dezelfde vragen aan de orde (kunnen) komen of dezelfde feiten (kunnen) worden onderzocht als in een procedure bij een andere rechter, zal leiden tot een daadwerkelijke verstoring van het onderzoek dat plaatsvindt bij die andere rechter. Het belang dat die verstoring achterwege blijft, kan zo zwaarwegend zijn dat het belang van de verzoeker bij het desbetreffende voorlopige getuigenverhoor daarvoor moet wijken. [3] [verweersters] hebben in dit verband onvoldoende gesteld, zowel ten aanzien van de mogelijke verstoring van het strafrechtelijk onderzoek, als ten aanzien van de in dat geval te maken belangenafweging.
4.16.
[verweersters] voeren aan dat eventuele getuigen pas kunnen worden bevraagd over alle relevante feiten, als alle resultaten van het strafrechtelijk onderzoek beschikbaar zijn en dat het verzoek voorbarig is. Dit verweer wordt, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen in overwegingen 4.11 tot en met 4.13, verworpen. Ook de stelling dat [verweersters] in een nadelige positie komen te verkeren en in hun belangen worden geschaad als zij nog niet kunnen beschikken over een volledig en afgerond opsporingsonderzoek wordt onder verwijzing naar voornoemde overwegingen verworpen.
[verzoeksters] hebben voldoende belang hij hun verzoek
4.17.
[verzoeksters] hebben – anders dan [verweersters] stellen – voldoende belang bij het verzochte voorlopig getuigenverhoor. De kantonrechter verwijst hiervoor naar hetgeen is overwogen in overweging 4.5.
Er is geen sprake van misbruik van procesrecht
4.18.
Ten slotte overweegt de kantonrechter dat het verzoek geen misbruik van procesrecht oplevert. De kantonrechter verwijst hiervoor naar hetgeen is overwogen in overwegingen 4.11 en 4.12.
4.19.
Het verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor zal daarom worden toegewezen.
Het verdere verloop van de procedure
4.20.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen, moeten ten minste een week voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
4.21.
Omdat de gemachtigde van [verweersters] al in het bezit is van het verzoekschrift en aanvullend verzoekschrift en een afschrift van deze beschikking ontvangt, zijn [verzoeksters] niet gehouden [verweersters] een afschrift van deze stukken te verstrekken.
4.22.
Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter na afloop van de getuigenverhoren op diezelfde zitting kan bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. Zij moeten daarom in persoon op de getuigenverhoren verschijnen. Een rechtspersoon moet ter zitting vertegenwoordigd zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot vertegenwoordiging.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor,
5.2.
benoemt een nog aan te wijzen kantonrechter van deze rechtbank tot rechter-commissaris, die zich door een ander lid van de rechtbank kan laten vervangen,
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het paleis van justitie te Den Haag, Prins Clauslaan 60,
5.4.
bepaalt dat [verzoeksters]
binnen twee wekenna de datum van deze beschikking schriftelijk aan de kantonrechter - ter attentie van de griffie van de afdeling Kanton - de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
januari 2026 tot en met april 2026moeten opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald.
Deze beschikking is gegeven door mr.drs. S.L.M. Staals, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.

Voetnoten

1.Hoge Raad 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU6545.
2.Hoge Raad 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433.
3.Hoge Raad 7 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1433.