De zaak betreft een vijfjarige Chinese minderjarige die een visum kort verblijf had aangevraagd om familie in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd afgewezen door de minister van Buitenlandse Zaken, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank oordeelt dat in de bezwaarprocedure ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden, terwijl er wel redelijke twijfel bestond over de sociale binding en het verblijfsdoel van eiser.
De rechtbank stelt vast dat verweerder onjuiste feiten aan het primaire besluit ten grondslag heeft gelegd, zoals het onjuist aannemen dat eiser zelfstandig inkomen zou moeten hebben. Bovendien had verweerder in de bezwaarprocedure een vragenlijst gestuurd, wat duidt op een onvolledig beeld en noodzaak tot nader onderzoek. Dit maakt het bezwaar niet kennelijk ongegrond, zodat een hoorzitting had moeten plaatsvinden.
Verder oordeelt de rechtbank dat de motivering omtrent de afwezigheid van sociale binding onvoldoende overtuigend is, aangezien eiser bij zijn ouders in China woont en naar school gaat. Ook het feit dat een eerdere mvv-aanvraag werd afgewezen, kan niet zonder meer doorslaggevend zijn, zeker omdat eiser toen tijdig terugkeerde.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarbij de pleegouders van eiser alsnog worden gehoord. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.