ECLI:NL:RBDHA:2025:22365

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
25/3903
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking beroep wegens besluit op Woo-verzoek

Verzoeker heeft op 30 mei 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek van 9 april 2025. Verweerder heeft op 12 augustus 2025 alsnog een besluit genomen, waarna verzoeker het beroep heeft ingetrokken.

De rechtbank heeft vervolgens het verzoek van verzoeker beoordeeld om verweerder te veroordelen tot betaling van de proceskosten. Gezien het feit dat verweerder aan het beroep is tegemoetgekomen door alsnog te beslissen, acht de rechtbank het verzoek gegrond.

De proceskostenvergoeding is vastgesteld op € 453,50, gebaseerd op een standaardtarief voor een beroepschrift van € 907,- met een wegingsfactor van 0,5 wegens het lichte gewicht van de zaak. Daarnaast wijst de rechtbank erop dat verweerder verplicht is het betaalde griffierecht van € 194,- aan verzoeker te vergoeden.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op 28 november 2025 door rechter C.W. Griffioen, in aanwezigheid van griffier S. Kedar. Partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3903

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: [naam]),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoek van 9 april 2025. Hij heeft het beroep ingetrokken omdat verweerder op 12 augustus 2025 heeft beslist op zijn verzoek.
1.1.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft gebruik gemaakt van deze gelegenheid.
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is verweerder aan verzoeker tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of verweerder geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 30 mei 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Verweerder heeft op 12 augustus 2025 beslist op de aanvraag. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Welk bedrag aan proceskosten moet verweerder aan verzoeker vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoeker krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. De gemachtigde van verzoeker heeft een beroepschrift ingediend. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Omdat de zaak, volgens recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechters, in beginsel een licht gewicht heeft, is op de waarde een wegingsfactor van 0,5 (licht) toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 453,50. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank wijst erop dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. [3] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van
S. Kedar, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.