ECLI:NL:RBDHA:2025:22403

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 oktober 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
NL25.30143
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55d AwbArt. 8:57 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 43 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op asielaanvraag tijdens besluitmoratorium Syrië

Eiser diende op 15 september 2023 een asielaanvraag in en stelde de minister van Asiel en Migratie op 17 juni 2025 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen. Op 8 juli 2025 werd beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit.

De minister had voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld van zes maanden, gepubliceerd op 13 december 2024, waardoor beslistermijnen werden verlengd tot maximaal 21 maanden. Dit moratorium verviel op 14 juni 2025. De aanvraag van eiser viel onder het moratorium en de maximale beslistermijn van 21 maanden verstreek op 15 juni 2025 zonder dat een besluit was genomen.

De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank draagt de minister op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog te beslissen en legt een dwangsom op van € 200 per dag met een maximum van € 15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is openbaar bekendgemaakt.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen twee weken te beslissen, onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30143
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. G.E. Jans),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
Verweerder heeft, ondanks een verzoek van de rechtbank, geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Overwegingen

1. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. [2]
2. Eiser heeft op 15 september 2023 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verweerder op 17 juni 2025 in gebreke gesteld, waarna hij op 8 juli 2025 in beroep is gegaan wegens het niet tijdig beslissen op de aanvraag.
3. Eiser is afkomstig uit Syrië. Op 11 december 2024, in de Staatscourant gepubliceerd op 13 december 2024, heeft verweerder voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium ingesteld voor zes maanden. [3] Gedurende de tijd dat dit moratorium van kracht is, beslist de minister niet op de asielaanvraag. Het besluitmoratorium houdt in dat de beslistermijnen van lopende asielaanvragen en van asielaanvragen die tijdens het moratorium worden ontvangen, worden verlengd met een jaar, tot ten hoogste 21 maanden na de asielaanvraag. [4] Het besluit- en vertrekmoratorium is komen te vervallen op 14 juni 2025.
4. Het besluitmoratorium is van toepassing op asielaanvragen waarop nog niet is beslist. Dat geldt ook voor aanvragen waarvan de beslistermijn van zes maanden al is verstreken op het moment van de inwerkingtreding van het moratorium. [5] De aanvraag van eiser van 15 september 2023 valt onder deze situatie en daarmee dus onder het toepassingsbereik van het besluitmoratorium.
5. De rechtbank stelt vast dat verweerder in ieder geval op 15 juni 2025 had moeten beslissen op de asielaanvraag. Op die datum verstreek namelijk de maximale beslistermijn van 21 maanden. De door eiser ingediende ingebrekestelling en beroep zijn tijdig ingediend. De maximale termijn van 21 maanden is verstreken zonder dat verweerder een besluit heeft genomen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder op te dragen zo snel mogelijk op de asielaanvraag van eiser te beslissen, maar uiterlijk twee weken na verzending van deze uitspraak.
6. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van Awb dat verweerder een dwangsom van € 200,- is verschuldigd voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-
7. Omdat eiser terecht beroep heeft ingesteld, zal verweerder in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • draagt verweerder op om zo snel mogelijk, maar
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 200,- verbeurt voor iedere dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-; en,
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Özçelik, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3.Staatscourant van 13 december 2024, nr. 41538.
4.Artikel 43, eerste lid, van de Vw.
5.Vgl. o.m. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3.