In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 13 november 2025, wordt het beroep van eiser, een Soedanese man, behandeld tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn partner in Nederland te kunnen wonen. De aanvraag werd afgewezen door de minister van Asiel en Migratie, die stelde dat de liefdesrelatie tussen eiser en zijn partner niet aannemelijk was gemaakt. Eiser had zijn aanvraag ingediend omdat hij sinds 2018 een relatie heeft met zijn partner, die in Nederland woont en de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank oordeelt dat het besluit van de minister gebrekkig is, omdat de overgelegde bewijsmiddelen onvoldoende in onderlinge samenhang zijn beoordeeld. Eiser had verschillende documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn relatie, waaronder verklaringen van vrienden en familie, maar de minister had deze onvoldoende gewaardeerd. De rechtbank concludeert dat er wel degelijk sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, en dat de minister een belangenafweging had moeten maken in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen acht weken een nieuw besluit te nemen.