ECLI:NL:RBDHA:2025:22453
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag van Turkse eiser met vrees voor vervolging door Hizbullah en discriminatie op basis van Koerdische afkomst
In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025 wordt het beroep van een Turkse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag beoordeeld. De eiser, die problemen heeft ondervonden vanwege zijn agnosticisme en zijn protestacties tegen Hizbullah, heeft op 30 maart 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Deze aanvraag werd op 1 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen, met de motivatie dat de vrees voor vervolging bij terugkeer naar Turkije niet aannemelijk was. De rechtbank heeft de zaak op 11 november 2025 behandeld, waarbij de eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de verweerder en een tolk.
De rechtbank oordeelt dat de verweerder voldoende gemotiveerd heeft waarom de vrees van de eiser voor vervolging niet aannemelijk is. De rechtbank erkent dat de eiser problemen heeft ondervonden in zijn woonplaats, maar concludeert dat deze problemen niet meer actueel zijn. De rechtbank stelt vast dat de eiser sinds 2018 geen problemen meer heeft gehad met Hizbullah en dat hij in Istanbul, ondanks zijn Koerdische afkomst, in staat is geweest om te functioneren in de maatschappij. De rechtbank komt tot de conclusie dat de asielaanvraag van de eiser terecht is afgewezen en verklaart het beroep ongegrond.
De uitspraak benadrukt de noodzaak voor de eiser om zijn vrees voor vervolging aannemelijk te maken, en dat de verweerder de asielmotieven in onderlinge samenhang moet beoordelen. De rechtbank vindt dat de verweerder dit op een zorgvuldige manier heeft gedaan en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.