ECLI:NL:RBDHA:2025:22453

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
NL25.48588
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Turkse eiser met vrees voor vervolging door Hizbullah en discriminatie op basis van Koerdische afkomst

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025 wordt het beroep van een Turkse eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag beoordeeld. De eiser, die problemen heeft ondervonden vanwege zijn agnosticisme en zijn protestacties tegen Hizbullah, heeft op 30 maart 2024 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Deze aanvraag werd op 1 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen, met de motivatie dat de vrees voor vervolging bij terugkeer naar Turkije niet aannemelijk was. De rechtbank heeft de zaak op 11 november 2025 behandeld, waarbij de eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de verweerder en een tolk.

De rechtbank oordeelt dat de verweerder voldoende gemotiveerd heeft waarom de vrees van de eiser voor vervolging niet aannemelijk is. De rechtbank erkent dat de eiser problemen heeft ondervonden in zijn woonplaats, maar concludeert dat deze problemen niet meer actueel zijn. De rechtbank stelt vast dat de eiser sinds 2018 geen problemen meer heeft gehad met Hizbullah en dat hij in Istanbul, ondanks zijn Koerdische afkomst, in staat is geweest om te functioneren in de maatschappij. De rechtbank komt tot de conclusie dat de asielaanvraag van de eiser terecht is afgewezen en verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak benadrukt de noodzaak voor de eiser om zijn vrees voor vervolging aannemelijk te maken, en dat de verweerder de asielmotieven in onderlinge samenhang moet beoordelen. De rechtbank vindt dat de verweerder dit op een zorgvuldige manier heeft gedaan en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48588

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 30 maart 2024 een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 1 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond [1] en een terugkeerbesluit gericht op Turkije opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, G. Gunes als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft in zijn woonplaats [plaats] problemen gehad met de organisatie Hizbullah. Zo heeft eiser de gemeenschap geïnformeerd en gewaarschuwd over Hizbullah. Eiser is in 2011 ten onrechte veroordeeld tot elf jaar en één maand gevangenisstraf wegens afpersing. In 2018 heeft eiser voor het laatst met Hizbullah te maken gehad omdat zij hem toen met de dood hebben bedreigd. Daarnaast werd eiser in zijn woonplaats [plaats] onderdrukt en gediscrimineerd vanwege zijn agnosticisme en in Istanbul vanwege zijn etnische afkomst als Koerd. Bij terugkeer naar Turkije vreest eiser voor Hizbullah.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
eisers problemen met de Hizbullah;
discriminatie vanwege eisers etniciteit als Koerd; en
onderdrukking vanwege eisers agnosticisme.
3.1.
Verweerder vindt de asielmotieven geloofwaardig. Verweerder vindt echter dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een vrees heeft voor vervolging [2] bij terugkeer naar Turkije. Voor wat betreft de vrees voor discriminatie op basis van eisers Koerdische etniciteit, vindt verweerder dat de vrees aannemelijk is maar de vrees niet zwaarwegend is. Daarnaast heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij vervolgd wordt omdat hij agnost is. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt [3] . Zo heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat Hizbullah geweld tegen hem zal gebruiken als hij terugkeert naar Turkije. De vrees van eiser is slechts gebaseerd op een vermoeden en hij heeft na 2018 geen problemen meer gehad met deze groepering. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond [4] .
Wat vindt eiser in beroep?
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – samengevat en zakelijk weergegeven – de volgende gronden aan. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft in strijd met de WI 2024/6 [5] niet alle relevante asielmotieven vastgesteld, want de onrechtmatige detentie uit 2011 is ook een vorm van vervolging [6] . Verweerder heeft eisers problemen niet fragmentarisch mogen beoordelen maar moest deze in onderlinge samenhang bezien. Ten aanzien van de problemen in [plaats] , voert eiser aan dat hij agnost is en protestacties tegen Hizbullah heeft gevoerd. Daarom staat hij in de negatieve belangstelling van Hizbullah. Eiser is voor deze protestacties vervolgd door de Turkse autoriteiten. Hieruit blijkt de samenwerking tussen de autoriteiten en Hizbullah. Eiser heeft zijn vrees voor de Hizbullah en de autoriteiten onderbouwd met zijn verklaringen en verifieerbare documenten. Verweerder heeft ten onrechte de bewijslast volledig bij eiser neergelegd. Verder heeft verweerder ten onrechte gewicht toegekend aan de periode tussen 2018 en 2024, waarin eiser in een sociaal isolement heeft geleefd en op die manier nieuwe vervolgingsincidenten heeft voorkomen. De dreiging van de Hizbullah en de Turkse autoriteiten blijft bestaan, ook zonder dat er recente aanvallen hebben plaatsgevonden. Tot slot miskent verweerder de feitelijke situatie van eiser en de aard en ernst van de discriminatie in Istanbul. Zo werd eiser structureel bedreigd in Istanbul, was het onmogelijk om veilige woonruimte te vinden en kon hij alleen zwart werken. Gelet op het voorgaande kan de discriminatie worden aangemerkt als vervolging. [7]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank oordeelt dat verweerder de asielaanvraag van eiser heeft kunnen afwijzen. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze conclusie komt.
Vervolging of ernstige schade
5. De geloofwaardig bevonden elementen moeten door verweerder worden getoetst om na te gaan of een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM aangenomen kan worden. Verweerder maakt hierbij gebruik van actuele landeninformatie om de door de aanvrager gestelde vrees tegen af te zetten. [8]
5.1.
Volgens verweerder volgt er geen aannemelijk risico uit de geloofwaardig bevonden relevante elementen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom eiser zijn vrees om bij terugkeer naar Turkije gedood te worden door Hizbullah niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.
5.2.
Verweerder heeft geloofwaardig geacht dat eiser in [plaats] problemen heeft ondervonden vanwege zijn agnostisme, zijn protestacties tegen Hizbullah en dat hij vast heeft gezeten. Verweerder heeft vervolgens onderzocht of deze omstandigheden nu nog steeds problemen opleveren en gemotiveerd waarom dat niet het geval is. Verweerder heeft daarbij argumenten genoemd die steekhoudend zijn. Verweerder heeft mogen betrekken dat eiser en zijn familie sinds 2018 geen problemen hebben ondervonden met Hizbullah, terwijl hij wel twee keer is teruggekeerd naar [plaats] . Ook heeft verweerder mogen tegenwerpen dat uit landeninformatie blijkt dat Hizbullah het gebruik van geweld heeft afgezworen. [9] Eisers betoog dat niet vaststaat dat Hizbullah haar activiteiten in eisers regio heeft gestaakt of dat de Turkse autoriteiten niet effectief optreden tegen deze organisatie, slaagt niet, nu eiser dit geenszins heeft onderbouwd. Verder heeft verweerder in zijn beoordeling wel degelijk gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiser in 2011 gevangen heeft gezeten, maar heeft in dat kader mogen tegenwerpen dat dit inmiddels al weer lange tijd geleden is en dat daaruit dan ook niet nu nog een risico kan worden afgeleid. Ook heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het enkele feit dat eiser in 2011 is veroordeeld ondanks dat de aangevers de aangifte later hebben ingetrokken, niet maakt dat daaruit de samenwerking tussen Hizbullah en de Turkse autoriteiten blijkt. Eiser heeft dit standpunt ook niet anderszins onderbouwd. Tot slot heeft verweerder mogen betrekken dat eiser daarna gedurende zes jaar zonder concrete problemen en bedreigingen in Istanbul heeft kunnen verblijven. Verweerder heeft alle omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en is gemotiveerd tot de conclusie gekomen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment nog problemen heeft te verwachten van de Hizbullah.
5.3.
In Istanbul heeft eiser problemen ondervonden vanwege zijn Koerdische afkomst. De problemen heeft verweerder geloofwaardig bevonden, maar uit zijn verklaringen blijkt niet dat hij zodanig beperkt is dat het voor hem onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat eiser meerdere jaren woonruimte gehad en dat eiser niet concreet heeft gemaakt dat deze woonruimte niet voldoende was. Ook heeft eiser kunnen werken en op die manier voldoende inkomen kunnen vergaren om in zijn basisbehoeften te voorzien. Eisers stelling dat verweerder de aard en ernst van de discriminatie miskent, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft in zijn beoordeling namelijk eisers toegang tot educatie, zijn mogelijkheden op de woningmarkt, arbeidsmarkt en de beschikbaarheid van de medische zorg betrokken en gekeken of eiser sociaal en maatschappelijk heeft kunnen functioneren. Eiser kan gelet op het voorgaande terugkeren naar Istanbul. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eisers vrees niet zwaarwegend is.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, in het licht van wat hiervoor is overwogen, voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser bij een terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de asielaanvraag van eiser heeft mogen afwijzen als ongegrond. Ook het terugkeerbesluit blijft in stand.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
3.Op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
5.Werkinstructie 2024/6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).
6.In de zin van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag.
7.In de zin van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag.
8.Zie werkinstructie 2014/10, paragraaf 4.1.
9.Algemeen ambtsbericht 2019, p. 13 en Algemeen ambtsbericht 2025, p. 42.