Eiseres, een Syrische statushouder en mensenrechtenactivist, verbleef sinds maart 2023 in opvanglocaties van het COa. Op 22 april 2025 beëindigde het COa haar opvang wegens het niet naleven van de meldplicht. Eiseres betwistte dit besluit en verzocht om heroverweging en heropname in de opvang. Na meerdere pogingen en het inschakelen van een advocaat, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank oordeelde dat de e-mail van het COa waarin de opvang werd beëindigd als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht moet worden gezien en dat het beroep tijdig was ingediend. De rechtbank stelde vast dat het COa onvoldoende had getoetst aan de beginselen van evenredigheid, proportionaliteit en subsidiariteit en de belangen van eiseres onvoldoende had meegewogen.
De feiten toonden aan dat eiseres vanwege haar bekendheid als mensenrechtenactivist zich onveilig voelde in de opvang, waardoor zij haar meldplicht meerdere malen miste. Ondanks waarschuwingen en maatregelen ontbrak een laatste waarschuwing voorafgaand aan de beëindiging. Tevens was eiseres zwanger op het moment van de zitting, een omstandigheid die meegewogen moest worden.
De rechtbank concludeerde dat de beëindiging van de opvang niet in verhouding stond tot het verzuim en dat het COa haar belangen onvoldoende had betrokken. Het besluit werd herroepen, eiseres moest per direct worden toegelaten tot de opvang en haar rechten hersteld. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het beroep nu inhoudelijk was behandeld. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van €1.814,- aan eiseres.