Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.Het wrakingsverzoek
09/262147-24 tegen verzoeker als verdachte.
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft bij de rechtbank Den Haag een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechters die betrokken zijn bij zijn strafzaak, omdat hij meent dat zij vooringenomen zijn. Dit verzoek is gebaseerd op de afwijzing van een verzoek tot deskundigenonderzoek, namelijk een gezichtsvergelijkend onderzoek door het NFI, en de omstandigheid dat verzoeker nog steeds vastzit.
De wrakingskamer heeft het verzoek behandeld en overwogen dat de afwijzing van het deskundigenonderzoek een processuele beslissing betreft die uitgebreid is gemotiveerd. Volgens de kamer kan een dergelijke motivering niet anders worden opgevat dan als blijk van vooringenomenheid, ook niet in combinatie met de langdurige voorlopige hechtenis van verzoeker.
De wrakingskamer benadrukt dat wraking niet kan worden gebruikt als verkapt rechtsmiddel tegen een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om deskundigenonderzoek. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van vooringenomenheid.
Daarom is het wrakingsverzoek afgewezen en wordt het proces in de hoofdzaak voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.