De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om twee minderjarigen onder toezicht te stellen wegens zorgen over hun ontwikkeling en veiligheid. De kinderrechter had reeds een eerdere beschikking voor zes maanden gegeven en beoordeelde nu een verlenging en wijziging van het verzoek.
De eerste minderjarige verblijft bij de moeder in Nederland en vertoont gedragsproblemen die zijn emotionele en morele ontwikkeling ernstig bedreigen. De moeder is onvoldoende in staat om samen te werken met hulpverleners en het overzicht te behouden. De Raad benadrukte het belang van dagbesteding, onderwijs en opvoedondersteuning. De moeder erkent de betrokkenheid van een jeugdbeschermer, maar wil niet te veel afspraken.
De tweede minderjarige verblijft in Marokko, waardoor toezicht niet uitvoerbaar is. De Raad handhaaft het verzoek tot ondertoezichtstelling voor deze minderjarige niet meer. De kinderrechter besluit de eerste minderjarige onder toezicht te stellen voor zes maanden met directe uitvoerbaarheid en neemt geen beslissing over de tweede minderjarige.
De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2025 en kan binnen drie maanden worden aangevochten bij het gerechtshof Den Haag.