Op 28 oktober 2025 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking uitgesproken in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming betreffende de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De kinderrechter heeft [minderjarige 1], geboren in 2009, onder toezicht gesteld voor de duur van zes maanden, terwijl het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 2], geboren in 2011, niet langer wordt gehandhaafd. De kinderrechter oordeelt dat er ernstige zorgen zijn over de emotionele en morele ontwikkeling van [minderjarige 1], die recentelijk weer in Nederland verblijft na een periode in Spanje. De moeder van de minderjarigen is betrokken bij de procedure en heeft aangegeven dat zij ondersteuning nodig heeft in de opvoeding van [minderjarige 1]. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de moeder onvoldoende in staat is om de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige 1] zonder hulp weg te nemen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen en de kinderrechter heeft dit verzoek toegewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. Ten aanzien van [minderjarige 2] is er geen beslissing meer te nemen, omdat de Raad het verzoek tot ondertoezichtstelling niet handhaaft, gezien de situatie van [minderjarige 2] in het buitenland.