Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 19 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een vreemdeling, eiser, die van Poolse nationaliteit is. De minister van Asiel en Migratie had op 10 november 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. Op 14 november 2025 heeft de minister de maatregel van bewaring opgeheven, waardoor de rechtbank zich moest buigen over de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding voor de periode waarin hij in bewaring was gesteld.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de gronden voor de bewaring voldoende waren, ondanks het verweer van eiser dat hij voldoende had meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit. Eiser beschikte niet over een geldig identiteitsbewijs, maar zijn identiteit was bekend bij de minister. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had gesteld dat er geen lichter middel beschikbaar was dan de inbewaringstelling, gezien de omstandigheden van de zaak. Eiser had geen reisdocumenten en middelen om zelf terug te keren naar Polen, en er waren geen omstandigheden die de detentie onevenredig bezwarend maakten.
Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt op 19 november 2025, en tegen deze uitspraak kan binnen één week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.