ECLI:NL:RBDHA:2025:22544

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
NL25.54627 NL25.55073
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrechtelijke procedures met betrekking tot non-refoulement en asielaanvragen

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 21 november 2025 uitspraak gedaan in twee beroepen van een eiser met Algerijnse nationaliteit, die in het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in bewaring is gesteld. De minister van Asiel en Migratie had op 5 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd, welke op 8 november 2025 werd opgeheven. Eiser heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld op 17 november 2025, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de bewaring op juiste gronden is opgelegd en dat er geen motiveringsgebrek is, ook niet in het licht van het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eiser heeft aangevoerd dat hij onterecht is opgehouden en dat er onvoldoende is doorgevraagd over het risico op non-refoulement. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat eiser voldoende is bevraagd en dat de gronden voor de maatregel van bewaring niet onrechtmatig waren. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen, met de conclusie dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.54627 en NL25.55073

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel is op 8 november 2025 opgeheven.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding en is geregistreerd onder zaaknummer NL25.54627.
Bij besluit van 8 november 2025 heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Tegen deze nieuwe maatregel van bewaring heeft eiser ook beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding en is geregistreerd onder zaaknummer NL25.55073.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 november 2025 met behulp van een beeldverbinding gelijktijdig op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.
Het beroep geregistreerd onder NL25.54627
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste wettelijke grondslag (artikel 50, derde lid, van de Vw) is opgehouden. Verweerder beschikt niet over identificerende documenten van eiser en eiser is bekend onder aliassen. De ophouding had volgens eiser daarom gebaseerd moeten zijn op artikel 50, tweede lid, van de Vw.
4. Eiser is op 5 november 2025 op grond van de Dublinverordening door Frankrijk overgedragen aan Nederland. Uit het ‘proces-verbaal staandehouding/overbrenging/ophouding’ (M105) blijkt dat de verbalisanten van de Koninklijke Marechaussee bij aankomst van het vliegtuig met daarin eiser op [luchthaven] van een bemanningslid een envelop hebben ontvangen met daarin een door de Franse autoriteiten voor eiser afgegeven Dublin laissez-passer (lp). Aan de hand hiervan hebben de verbalisanten, die eiser eerst hebben staandegehouden, de identiteit van eiser onmiddellijk kunnen vaststellen. Dat er op de lp andere personalia van eiser stonden maakt dat niet anders. Gelet hierop ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de ophouding ten onrechte heeft plaatsgevonden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; en als lichte gronden in allebei de maatregelen heeft vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel niet kunnen dragen.
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van opheffing niet op enig moment onrechtmatig was.
Het beroep geregistreerd onder NL25.55073
8. Eiser voert aan dat er in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling onvoldoende is doorgevraagd om het risico op non-refoulement te kunnen onderzoeken.
9. Uit het proces-verbaal van het gehoor van 8 november 2025 blijkt het volgende:
“V: U heeft te kennen gegeven uw asielaanvraag te willen intrekken. Wat is hiervan de reden?

A: Ik kan het niet hebben een asielaanvraag in te dienen en dan in de gevangenis te blijven.

V: U heeft eerder verklaard dat u bang was om vermoord te worden als u teruggestuurd zou worden naar Algerije, wat is hieraan veranderd dan?
A: Ik zal mijn lot tegemoet gaan, als ik dan teruggestuurd word. Zij hebben mij al eerder in Algerije geprobeerd om het leven te brengen, ik ben bij mijn hart gestoken, lag een tijdje in coma, maar ik weet niet wat er gebeurt als ik terug ga. Alleen God weet het. Als ik teruggestuurd wordt, zal ik hiertegen vechten, ik zal aangeven dat ik niet terug wil.
V: U heeft het formulier voor intrekken van uw asielaanvraag zelfstandig ondertekend, aan u zijn de gevolgen uitgelegd.
A: Ik heb de aanvraag ingetrokken, omdat ik daar vastzat. Ik wil niet vastzitten.
V: De eerder opgelegde maatregel had ook het doel om uw asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, daar u al eerder bent vertrokken met onbekende bestemming.
A: Ik beaam dat ik het fout gedaan heb om met onbekende bestemming te vertrekken, hierbij ook mijn excuses. Ik weet niet wat ik hier op moet zeggen.
V: Ik heb uitgelegd dat de eerder opgelegde maatregel, ook diende om uw gedane asielaanvraag inhoudelijk te kunnen behandelen. Desondanks deze uitleg wilt u dus geen asiel aanvragen nu?
A: Nee, ik wil en ga geen asiel aanvragen hier.”
10. De rechtbank is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat eiser voldoende is bevraagd over het risico op non-refoulement. Eiser is er specifiek op gewezen dat de eerdere maatregel van bewaring ook diende om zijn asielaanvraag inhoudelijk te kunnen behandelen en vervolgens is er geverifieerd of eiser asiel wil aanvragen. Eiser heeft daarop geantwoord dat hij geen asielaanvraag wil indienen. De rechtbank ziet daarom niet in wat voor verdere vragen er nog aan eiser hadden moeten worden gesteld met betrekking tot de refoulementbeoordeling. De beroepsgrond slaagt niet.
11. Eiser voert verder aan dat in de maatregel van bewaring geen overweging met betrekking tot het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) is gemaakt, zodat sprake is van een motiveringsgebrek.
12. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van bewaring, zij het onder de beoordeling van de vraag of met een lichter middel kon worden volstaan, is opgenomen dat eiser zijn asielaanvraag zelfstandig heeft ingetrokken en heeft aangegeven geen verdere asielaanvraag te willen indienen. De rechtbank is van oordeel dat de minister, mede gelet op wat in rechtsoverweging 10 is overwogen, hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat er ook geen aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers uitzetting.
13. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft dezelfde zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag gelegd als in procedure NL25.54627. Eiser heeft de gronden van de maatregel niet bestreden. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel niet kunnen dragen.
14. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
15. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Verduijn, rechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.