In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 21 november 2025 uitspraak gedaan in twee beroepen van een eiser met Algerijnse nationaliteit, die in het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in bewaring is gesteld. De minister van Asiel en Migratie had op 5 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd, welke op 8 november 2025 werd opgeheven. Eiser heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. De rechtbank heeft de beroepen gelijktijdig behandeld op 17 november 2025, waarbij eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de bewaring op juiste gronden is opgelegd en dat er geen motiveringsgebrek is, ook niet in het licht van het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Eiser heeft aangevoerd dat hij onterecht is opgehouden en dat er onvoldoende is doorgevraagd over het risico op non-refoulement. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat eiser voldoende is bevraagd en dat de gronden voor de maatregel van bewaring niet onrechtmatig waren. De rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen, met de conclusie dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling.