Eiser, van Algerijnse nationaliteit, werd op 5 november 2025 op grond van de Dublinverordening door Frankrijk aan Nederland overgedragen en vervolgens in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. De eerste maatregel van bewaring werd op 8 november 2025 opgeheven, waarna een nieuwe maatregel werd opgelegd die nog voortduurt. Eiser stelde beroep in tegen beide maatregelen, tevens als verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest en concludeerde dat de ophouding op de juiste wettelijke grondslag had plaatsgevonden, ondanks het ontbreken van identificerende documenten. De minister had voldoende zwaarwegende gronden voor de bewaring, waaronder het vaststellen van identiteit en het voorkomen van ontduiking van toezicht.
Verder oordeelde de rechtbank dat eiser voldoende was bevraagd over het risico op non-refoulement en dat de minister adequaat had gemotiveerd dat het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie was betrokken bij de beoordeling. De rechtbank zag geen motiveringsgebrek en vond geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten.
De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding werden afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.